Beeld en werkelijkheid: een analyse van de adviezen van de Raad van State mr M. Tj. Bouwes1



Dovnload 244.07 Kb.
Pagina2/7
Datum07.11.2017
Grootte244.07 Kb.
1   2   3   4   5   6   7






Adviezen verdeeld naar dictum per ministerie: 2012




ministerie

dictum 1

'conform'



dictum 2 'aandacht'

dictum 3 'rekening'

dictum 4

'niet dan nadat'



dictum 5

'niet aldus'



dictum 6

'niet'


% zwaar

(=dicta


4 t/m 6)

Totaal
aantal adviezen met dictum







Ministerie van AZ

3

2

3

 

 

 

 

8




Ministerie van BuZa

14

2

1

 

 

 

 

17




Ministerie van VenJ

35

3

41

7

 

 

8

86




Ministerie van BZK

42

3

15

4

2

 

9

66




Ministerie van OCW

17

3

11

4

 

 

11

35




Ministerie van Financiën

18

7

25

1

 

 

2

51




Ministerie van Defensie

3

1

1

1

 

 

17

6




Ministerie van SZW

23




22

5

 

 

10

50




Ministerie van VWS

31




10

2

2

 

9

45




Ministerie van I&M

73

5

26

4

 

 

4

108




Ministerie van EL&I

30

4

18

6

 

 

10

58




totaal

289

30

173

34

4

 

7

530





Adviezen verdeeld naar dictum per ministerie: 2013




ministerie

dictum 1

'conform'



dictum 2 'aandacht'

dictum 3 'rekening'

dictum 4

'niet dan nadat'



dictum 5

'niet aldus'



dictum 6

'niet'


% zwaar

(=dicta


4 t/m 6)

Totaal
aantal adviezen met dictum







Ministerie van AZ

5




1

 

 

 




6




Ministerie van BuZa

14

7




 

 

 




21




Ministerie van VenJ

35

8

20

7




 

10

70




Ministerie van BZK

33

8

16

6




 

10

63




Ministerie van OCW

18

2

4

3




 

11

27




Ministerie van Financiën

17

5

13

4

2

 

15

41




Ministerie van Defensie

5

2

1

0




 




8




Ministerie van SZW

17

2

9

3

1

 

13

32




Ministerie van VWS

17

3

13

3




 

8

36




Ministerie van I&M

65

2

27

1




 

1

95




Ministerie van EZ

12

2

9

2




 

8

25




totaal

238

41

113

29

3

 

8

424




  1. Delegatie

Volgens de Aanwijzingen voor de regelgeving geldt bij de keuze welke elementen in de wet zelf regeling moeten vinden en voor welke elementen delegatie is toegestaan, als richtsnoer het primaat van de wetgever. Bij de verdeling van de elementen van een regeling over de wet en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau bevat de wet ten minste de hoofdelementen (Aanwijzing 22). Hoofdelementen zijn in ieder geval de reikwijdte en de structurele elementen en veelal ook de voornaamste duurzame normen. Verder ook de grondslag voor vergunningen, voorschriften over rechtsbescherming, sancties, toezichts- en opsporingsbevoegdheden, rechten en verplichtingen van burgers onderling en financiële aanspraken jegens de overheid (Aanwijzing 24). Elke delegatie van regelgevende bevoegdheid dient in de delegerende regelgeving zo concreet en nauwkeurig mogelijk te worden begrensd. Voor de begrenzing kan worden gedacht aan het concretiseren van de omstandigheden waarin van de bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt, van de te regelen onderwerpen en van de doeleinden waartoe de bevoegdheid mag worden gebruikt (Aanwijzing 25). Delegatie aan de minister wordt beperkt tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld (Aanwijzing 26).

In het advies over de Omgevingswet (33 962) plaatste de afdeling de keuze voor het niveau van regelgeving geheel in de sleutel van parlementaire democratie. Het vaststellen van algemene verbindende voorschriften door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk als wetgever, behoort volgens de afdeling tot een belangrijke verworvenheid van de parlementaire democratie in Nederland. Algemene verbindende voorschriften grijpen immers in in het dagelijkse leven van burgers en de activiteiten van bedrijven. Vanzelfsprekend kan het parlement niet bij de vaststelling van alle algemeen verbindende voorschriften worden betrokken. Veelal zal de bevoegdheid om bepaalde onderdelen van de wetgeving vast te stellen aan het bestuur moeten worden gedelegeerd. De essentie van een wettelijke regeling dient echter mede door het parlement te worden vastgesteld. Het gaat dan om de reikwijdte van de wet, de structurele elementen van een wettelijke regeling en de voornaamste duurzame normen. De verantwoordelijkheid van het parlement om de essentie van de wettelijke regeling vast te stellen brengt volgens de afdeling bovendien met zich dat de regelgevende bevoegdheid die de wetgever aan het bestuur delegeert, waar mogelijk wordt begrensd. Op deze wijze neemt het parlement medeverantwoordelijkheid voor de beslissing op grond van welk belang verplichtingen worden gesteld aan burgers, wat de globale inhoud is van deze verplichtingen, wat de materiële grenzen zijn van deze verplichtingen en welke instanties op grond van welke bevoegdheden de verplichtingen (eventueel) nader specificeren, uitvoeren en handhaven. Daarbij merkt de afdeling – wellicht ten overvloede – op dat een wet niet alleen als grondslag dient voor de instrumenten die de overheid kan inzetten om publieke belangen te verwezenlijken, maar ook de legitimatie en begrenzing vormt van de interventies van de overheid in de samenleving. Daarbij dient een evenwicht te worden gevonden tussen de noodzaak om ten behoeve van het publieke belang te interveniëren enerzijds en de rechten van de betrokken burgers anderzijds. De betrokkenheid van de volksvertegenwoordiging is daarbij essentieel. Het totstandkomingsproces van de wet in formele zin dwingt volgens de afdeling bovendien tot een uitvoerige openbare behandeling en daardoor mogelijk tot een zorgvuldigere afweging.

In het advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht in verband met het wettelijk regelen van de verbetertermijn voor zeer zwakke instellingen (33 796) merkte de afdeling op dat op grond van artikel 23 Grondwet bekostigingsvoorwaarden bij of krachtens de wet gesteld dienen te worden. Dit geldt te meer wanneer het niet voldoen aan bepaalde kwaliteitsmaatstaven leidt tot een zo ingrijpende maatregel als de beëindiging van de bekostiging. Gelet hierop zouden de normindicatoren, voor zover zij althans criteria vormen voor het inspectie-oordeel dat sprake is van ernstig of langdurig tekortschietend onderwijs en daarmee ten grondslag liggen aan een mogelijke bekostigingsmaatregel, een formeel-wettelijke grondslag moeten hebben. De normindicatoren zelf zouden moeten worden vastgesteld op het niveau van een amvb, met inachtneming van de vrijheid van inrichting, de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze van de leermiddelen en de aanstelling van onderwijzers. In het nader rapport is opgemerkt dat de maatregel tot sluiting van een school niet gebaseerd is criteria van het toezichtkader, maar op deugdelijkheidseisen met een formeel-wettelijke grondslag.

De afdeling heeft herhaaldelijk gewezen op te ruime delegatiegrondslagen. Een in algemene termen gestelde stelling dat het gaat om uitvoeringsdetails is een onvoldoende dragende motivering voor regeling bij amvb als die onderwerpen aanzienlijke invloed kunnen hebben op de omvang van een pensioen (wet aanpassing pensioenleeftijd Appa) (33 565). In het nader rapport wordt uitgebreid gemotiveerd dat de complexiteit van het nieuwe stelsel regeling op lager niveau wenselijk maakt om omvangrijke regelgeving in de wet te voorkomen.

Bij het voorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg en enkele andere wetten, houdende vaststelling van een grondslag voor het stellen van kwaliteitseisen over beroepsbeoefenaren werkzaam in de jeugdzorg en voor het aanwijzen van een kwaliteitsregister (33 619) wees de afdeling erop dat de norm voor verantwoorde werktoedeling niet wettelijk wordt bepaald, maar in een amvb. Gelet op het feit dat de nieuwe norm een nadere concretisering betreft van de in artikel 24 Wet op de jeugdzorg reeds geformuleerde norm van verantwoorde zorg, en in het licht van de beoogde aansluiting bij de Wet cliëntenrechten zorg en het in die wet omschreven recht op goede zorg, ligt het niet zonder meer voor de hand de omschrijving van de norm van de verantwoorde werktoedeling uitsluitend in een amvb op te nemen. De afdeling meende dat, nu het kwaliteitsregister van zo groot belang wordt geacht voor de professionalisering van de beroepsgroep van jeugdzorgwerkers, een duidelijke regeling van het register op het niveau van de wet vereist is. Blijkens het nader rapport zijn deze opmerkingen overgenomen.

In het wetsvoorstel uitbreiding wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (33 797) was voorgesteld om bij amvb een toetsingskader vast te stellen voor gedragingen die worden meegewogen in het besluit om wel of geen huisvestingsvergunning te verlenen. Volgens de afdeling is het, gelet op de ingrijpendheid van de bevoegdheden, met het oog op de kenbaarheid en de voorzienbaarheid van te verwachte overheidsoptreden wenselijk om randvoorwaarden op te nemen in de tekst van het voorstel zelf en de toepassing hiervan niet over te laten aan gedelegeerde regelgeving. Blijkens het nader rapport is het hele onderdeel uit het voorstel geschrapt en daarmee ook de delegatiegrondslag.

Een grondslag voor een overgangsregeling bij ministeriële regeling bood het wetsvoorstel overheveling taak en budget onderwijshuisvesting van gemeente naar school (33 361). De afdeling meende dat het al dan niet treffen van een overgangsregeling niet moet worden overgelaten aan de beoordelingsvrijheid van de minister. De afdeling meende voorts dat de delegatiebepaling in haar huidige vorm te weinig bepaald was. In de delegatiegrondslag is vervolgens verduidelijkt welke groep schoolbesturen onder het bereik van de overgangsregeling valt en in de wet zijn de kernelementen van de regeling opgenomen. Er is geen beoordelingsvrijheid van de minister meer. De details van het overgangsregime zullen op het niveau van een ministeriële regeling nader worden uitgewerkt; er is namelijk sprake van voorschriften van administratieve aard en het gaat om uitwerking van details in de regeling, aldus het nader rapport.

Herhaaldelijk wijst de afdeling erop dat voor ministeriële regeling (slechts) in aanmerking komen voorschriften van administratieve aard en voorschriften ter uitwerking van details van een regeling (Aanwijzing 26). Het ontbreken van praktijkervaring en het relatief snel kunnen inspelen op deze ervaringen kunnen als zodanig niet dienen ter motivering van de keuze van subdelegatie (Dierproevenbesluit 2014). Ook dient de reikwijdte van de aan de minister gesubdelegeerde regelgevende bevoegdheid te worden omlijnd. De aard en het onderwerp bepalen het niveau van regelgeving. Gelet daarop en met het oog op consistentie in regelgevingsniveau behoren soortgelijke onderwerpen zoveel mogelijk op eenzelfde niveau te worden geregeld (Dierproevenbesluit 2014).



Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina