Basiskenmerken Soorten onderzoek + doelstellingen 4



Dovnload 4.2 Mb.
Pagina1/34
Datum03.06.2018
Grootte4.2 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34

Samenvatting methodologie

Inhoudsopgave


Inhoudsopgave 1

Hoofdstuk 1: onderzoek in de gedragswetenschappen 4

1.Basiskenmerken 4

2.Soorten onderzoek + doelstellingen 4

4.Onderzoeksstrategieën 8

Hoofdstuk 2: Variabiliteit en onderzoek 9

1.Variabiliteit en het onderzoeksproces 9

2. Maten voor variabiliteit 10

Hoofdstuk 3: Het meten van gedrag 14

1.Definitie 14

2.Betrouwbaarheid 16

3.Validiteit 17

4.Test bias 18

Hoofdstuk 4: Meten in de gedragswetenschappen 19

1.Observatie 19

2.Fysiologische metingen 21

3.Vragenlijsten en Interviews 22

4.Opzoekingswerk 22

Hoofdstuk 5: Selecteren van deelnemers 24

2.Soorten Probabilistische samples 24

3.Niet-probabilistische samples 25

1.Types van beschrijvend onderzoek 26

Hoofdstuk 7: Correlationeel onderzoek 27

1.Beschouwen van een verband 27

2.De correlatiecoëfficiënt 28

4.Correlatie en causaliteit 30

5.Partiële correlatie 31

Hoofdstuk 8: Geëvanceerde correlatie strategieën 32

1.Voorspellen: regressieanalyse 32

2.Meervoudige regressieanalyse 32

3.Causaliteit 34

4.Multilevel modelling 35

5.Factoranalyse 35

1.De logica van de causaliteit 36

2.Types onafhankelijke variabelen 37

3.Experimentele controle 37

4.Mogelijkheden tot neutralisatie 38

5. Oplossingen voor volgorde effecten 39

6.Verschil within Ss en between Ss 40

7.Validiteit van een experiment 42

Hoofdstuk 10: Experimentele designs 43

1.One way design 44

2.Factorieel design 44

3.Mixed design 46

4.Hoofdeffect en interactie effect 46

Hoofdstuk 11: Experimentele data analyseren 48

1.Analyse: De intuïtieve aanpak 48

2.De nulhypothese (H0) 48

3.Type I en Type II fouten 48

Hoofdstuk 13: Quasi experimentele designs 50

1.Verschil met correlationeel onderzoek 50

2.Problemen bij quasi experimenteel onderzoek 51

3.Interne validiteit 51

4.Soorten quasi experimentele designs 51

5.Evaluatie van quasi experimentele designs 55

Hoofdstuk 1: onderzoek in de gedragswetenschappen

Ψ is een brede wetenschap.



  • Voor de meeste mensen is een wetenschapper een man die een witte labojas draagt en die werkt in een laboratorium waarin allerlei technische snufjes aanwezig zijn.

 wetenschappelijke psychologie (en gedragswetenschappen) bestaat vanaf de 4e helft van de 19e eeuw.


  • Wilhelm Wundt: 1e onderzoekspsycholoog.

 eerste twee psychologische laboratoria van de wereld: Leipzig (systematisch onderzoek en psychologische experimenten) : 1875

 vond het eerste wetenschappelijk tijdschrift uit in 1881


  1. Basiskenmerken


  • De wetenschappelijke methode heeft 3 kenmerken:

  1. Systematisch empiricisme: Enkel vertrouwen op observaties en de data die je verzamelt, moeten gestructureerd zijn.

Vb: niet geloven dat iemand honger heeft, geen plaats voor rede / intuïtie en geloof

  1. Publieke verificatie: Replicatie (exacte heruitvoering van een onderzoek en daarna resultaten vergelijken) en zelf-correctie.

Vb: 10 minuten yoga en IQ 20 hoger

  1. Verifieerbaar: Moet meetbaar zijn

Vb: alle mensen hebben een onzichtbare ziel

 niet wetenschappelijke methode:



  • gebaseerd op geloof (assumpties)

  • niet systematisch

  • privaat
  1. Soorten onderzoek + doelstellingen


  1. Fundamenteel onderzoek: Kennis vergroten (beschrijven, voorspellen en verklaren).

  2. Toegepast onderzoek: problemen oplossen (beschrijven, voorspellen, verklaren en toepassen) Vb: aandacht & depressie  bedoeling om mensen te helpen

Beschrijven: wat zijn patronen

Voorspellen: zoeken naar predictoren van target gedrag

Verklaren: wat zijn de onderliggende mechanismen

  1. Het wetenschappelijke proces

  • Een wetenschapper doet 2 dingen:

  • Detecteren van fenomenen

-ontdekken (Vb: papa’s spelen anders met kindjes)

-beschrijven en voorspellen

- inductie: theorie opstellen op basis van generalisatie


  • Verklaren van fenomenen

-construeren van een theorie. Vb: doordat bepaalde mensen voortdurend hun aandacht naar negatieve informatie richten, worden ze depressief = negatieve aandachtsbias

-evalueren van de theorie door onderzoek

-voorspellen en verklaren


  • Wetenschappelijke theorie = een set van uitspraken die relaties tussen concepten weergeeft en die ondersteund is door empirische gegevens. Vb: papa’s spelen meer fysieke spelletjes met hun baby’s, vooral met jongens.




  • Wetenschappelijke verklaringen:

  1. A priori verklaringen = theorie  gegevens

 uit theorie wordt een hypothese afgeleid, hypothesen worden getoetst, theorie moet falsifieerbaar zijn

  1. Post-hoc of a posteriori verklaringen = gegevens  theorie (niet wetenschappelijk)

 na de feiten is er voor alles een verklaring: het zegt niets over waarde van de theorie


  • Wetenschap werkt op 2 niveaus

  • Theoretische niveau: conceptuele definities (=woordenboek) + niet specifiek

  • Empirisch niveau: operationele definities (=positieve & negatieve info wordt geoperationaliseerd als positieve & negatieve foto’s) + concreet en expliciet

(meerdere operationele definities zijn mogelijk voor zelfde concept ≠ exact)

Vb: operationele definitie  honger = de toestand na 24 uren zonder voedsel.


Een theorie wordt op indirecte manier getoetst (langs beide richtingen mogelijk).

3.1 Wetenschappelijke hypothese


  • Wat?

= een uitspraak die volgt uit een theorie (als de theorie correct is dan … )

VB: als mama en papa met een jongetje spelen, dan zal papa meer fysieke spelletjes spelen…


Deductie = Van algemene theorie naar specifiek aspect van deze theorie.

Inductie = Hypothese opstellen op basis van een verzameling van feiten.(niet op basis van theorie)
Empirische generalisatie: Hypothesen die gebaseerd zijn op eerder geobserveerde patronen van resultaten.


  • Een hypothese toetsen (voorbeeld)

  1. Theorie: depressie ontstaat door aandachtsbias naar negatieve informatie

  2. Hypothese: we verwachten dat proefpersonen die meer aandacht hebben voor naar negatieve informatie depressiever zullen zijn dan proefpersonen die meer aandacht hebben voor positieve informatie

  3. Conceptuele definitie

  4. Operationele definitie: Minstens 30 seconden intensieve interactie tussen ouder en kind




  • ondersteuning voor een theorie eerder dan bewijs

  • bewijs voor een theorie is logisch niet mogelijk

  • als T dan H, welnu H dus T is logisch fout!

  • als het regent wordt je nat, welnu ik ben nat dus het regent? (nee, want ik lig in een zwembad)




  • Weerleggen van een theorie

Theorie weggooien?

Als T dan H, welnu niet H dus niet T is logisch correct maar ..

 fouten in deductie (H volgt niet uit T)

 foute operationalisatie (experiment test eigenlijk H niet)

 slechte meting

 andere factoren die nog niet in theorie zitten (leeftijd)





Deel met je vrienden:
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   34


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina