Artrose in de knie



Dovnload 1.27 Mb.
Pagina3/7
Datum07.11.2017
Grootte1.27 Mb.
1   2   3   4   5   6   7

Hoe wordt artrose in de knie door een arts vastgesteld?
Meestal is de diagnose door de huisarts gesteld als u wordt doorgestuurd naar de orthopedisch chirurg. Toch zal de orthopeed in het eerste gesprek de knieklachten met de patiënt nog eens bespreken om precies te weten te komen hoe erg de hinder is die de patiënt van de artrose ondervindt. Zo’n vraaggesprek noemt met een anamnese. Na de anamnese voert de orthopedisch chirurg een lichamelijk onderzoek uit. Daarnaast worden er röntgen foto’s gemaakt van de knie. Kraakbeen laat zich echter niet afbeelden op gewone röntgen foto’s, hierop wordt namelijk alleen bot gezien. Wanneer het kraakbeen tot op het bot is versleten kan de slijtage ook op röntgenfoto’s waargenomen worden. In sommige gevallen kan de orthopedisch chirurg ook besluiten om een MRI-scan van de knie te laten maken. Op basis van de knieklachten, het lichamelijk onderzoek en de foto’s wordt de definitieve diagnose gesteld.
Niet operatieve behandelingen
De volgende handelingen kunnen helpen om klachten in verband met de artrose te verminderen.

Regelmatige beweging zonder de knie te belasten is zeer belangrijk. Hiermee worden de klachten verminderd en voorkomen dat de klachten terugkeren. Indien rond de knie geoefende spieren zitten zal de knie meer verdragen en voelt de patiënt minder pijn.

Indien de patiënt veel pijn heeft aan de knie is het beter om de knie te laten rusten, maar ook af en toe bewegen. Vanaf het moment dat het beter wordt moet de patiënt proberen zijn of haar dagelijkse bezigheden weer op te pakken. In sommige gevallen kan het gebruik van een wandelstok helpen. Bij dikke mensen helpt het om een aantal kilo’s af te vallen, zodat de knie minder belast wordt.

Koude kompressen, acupunctuur en gebruik van speciale schoenen kan misschien de pijn verlichten, maar er zijn nog onvoldoende bewijzen die een effect van vermindering van de pijn kunnen garanderen.

Medicatie geneest de artrose niet, het kan wel de pijn verminderen. De patiënt kan pijnstillers gebruiken indien hij of zij door de pijn niet kan bewegen of slapen. Indien de pijn terug blijft komen, kan men regelmatig pijnstillers innemen. Als de pijnstiller niet helpt is het het beste om met de behandelende arts te bespreken om indien nodig van pijnstiller te veranderen. Voorbeelden van vervangende pijnstillers zijn ibuprofen, diclofenac of naproxen, ze hebben alle een ontstekingsremmende bijwerking. Maar deze pijnstillers hebben ook negatieve bijwerkingen, zoals maagklachten. Ook gaan ze vaak niet goed samen met andere geneesmiddelen.

Andere niet operatieve behandelingen zijn; een kniebrace, pijnbehandeling door smering van het kniegewricht middels het inspuiten van een vloeistof of een behandeling middels een osteotomie.




De kijkoperatie
Omdat beginnende slijtage alleen maar goed is te zien bij een kijkoperatie, is dit meestal het eerste wat gedaan wordt als er door een arts artrose wordt vastgesteld.

De verdoving
De kijkoperatie wordt vrijwel altijd uitgevoerd onder regionale anesthesie, ofwel de ruggenprik. Soms wordt een kijkoperatie uitgevoerd onder algehele anesthesie, hierbij wordt de patiënt onder narcose gebracht. De ruggenprik heeft als voordeel dat alleen het onderlichaam tijdelijk verdoofd wordt, namelijk zo’n 1 tot 3 uur, daarnaast treedt er meestal geen misselijkheid op en de patiënt kan op de monitor meekijken met de orthopedisch chirurg. Meekijken biedt de patiënt de mogelijkheid om meer inzicht te krijgen in de aard en ernst van de afwijking in de knie en biedt de mogelijkheid tot overleg met de operateur tijdens de operatie. Het bevordert het begrip over de afwijkingen en geeft inzicht in de oorzaak van de klachten.

De narcose brengt de patiënt tijdelijk in een slaaptoestand en hij of zij merkt op deze manier niets van de operatie. Met de hedendaagse narcose technieken is de kans op misselijkheid en dergelijke klein. Tijdens een narcose worden alle vitale functies nauwkeurig bewaakt. De anesthesist zal de diverse mogelijkheden en de eventuele complicaties met de patiënt bespreken in het gesprek dat op de polikliniek anesthesie voorafgaand aan de operatie zal plaatsvinden.


De techniek
Met behulp van 2 of soms 3 steekgaatjes in de huid wordt een invoerinstrument met daarin de artroscoop in de knie gebracht. Op de optiek is een kleine camera gemonteerd en een lichtbron zorgt voor het benodigde licht om alle structuren in de knie te kunnen zien. De orthopedisch chirurg kijkt op een monitor waarop het beeld van de knie verschijnt. De camera heeft een sterk vergrotend effect waardoor alle beelden duidelijk, groot en in natuurgetrouwe kleuren worden weergegeven./ In veel gevallen kan de patiënt meekijken op de monitor naar de operatie aan de knie.
Door het steekgaatje in de huid kan een tasthaakje ingebracht worden waarmee de structuren in de knie kunnen worden getest. Bovendien is het mogelijk om met kleine schaartjes, knippers of een shaver, dit is een zuigbuis met een afsnijdmechaniek, het beschadigd kraakbeen te verwijderen of schoon te maken.
Aan het einde van de ingreep komen er hechtpleisters op de wondjes. Als het wondje bloedt of als door omstandigheden een wondje wat groter gemaakt moet worden, worden de wondjes gehecht. Daarover komt een groot drukverband. De bevindingen tijdens de operatie worden in een schematisch verslag getekend om bij de poliklinische controle de gevonden afwijkingen en de uitgevoerde behandeling of behandelingen te kunnen bespreken.

De organisatie
De operatie wordt in principe in dagbehandeling verricht. De opnameduur in het ziekenhuis bedraagt meestal 6 to 8 uur, de patiënt komt enkele uren voor het geplande operatietijdstip en enkele uren na de operatie mag hij of zij weer naar huis gaan. Doordat de werkzaamheden op het operatiecomplex nooit precies zijn in te plannen ten gevolge van bijvoorbeeld acute operaties, kan het zijn dat u wat langer op uw operatie moet wachten. Ongeveer een kwartier voor de operatie wordt de patiënt naar de voorbereidingsruimte op het operatiecomplex gebracht. Daar krijgt hij of zij onder andere een infuus. Vlak voor de operatie wordt de patiënt naar de operatiekamer gebracht en mag hij of zij van het ziekenhuisbed overstappen op de operatietafel. Vervolgens zal de anesthesist de patiënt een verdoving toedienen, in de meeste gevallen een ruggenprik, soms algehele narcose. Na de operatie gaat de patiënt weer op het ziekenhuisbed naar de verkoeverkamer, waar hij of zij nog enige tijd ter controle van onder andere de bloeddruk doorbrengt. Vervolgens gaat de patiënt weer terug naar de verpleegafdeling waar hij of zij nog enige uren verblijft. Voordat de patiënt weer naar huis mag is het belangrijk dat hij of zij heeft geplast. Bovendien komt de fysiotherapeut nog enige instructies geven. De patiënt krijgt voor de eerste nacht pijnstillers mee naar huis.


Nabehandeling
In de meeste gevallen mag de patiënt het geopereerde been direct weer gaan belasten op geleide van de pijn. De eerste nacht na de operatie moet uit voorzorg iemand bij de patiënt in huis zijn om hem of haar te kunnen helpen met problemen. Indien de patiënt thuis niemand heeft die hem of haar kan helpen, is het beter om de nacht in het ziekenhuis te blijven. Dit moet wel vroegtijdig aangegeven worden. De eerste dagen loopt de patiënt wat mankend, maar geleidelijk zal hij of zij weer normaal kunnen lopen. Het is ook meestal niet nodig om elleboogkrukken mee te nemen naar het ziekenhuis. Het drukverband mag na 24 uur zelf verwijderd worden en de hechtpleistertjes mogen na 5 dagen verwijderd worden. De wondjes moeten ook 5 dagen droog gehouden worden. Eventuele hechtingen worden bij de eerste controle verwijderd. Afhankelijk van het herstel mag de patiënt na 1 tot 3 weken weer aan het werk. Indien het geopereerde been weer geheel normaal functioneert, mag de patiënt weer zelf autorijden.
Fysiotherapeutische nabehandelingen zijn in de meeste gevallen niet noodzakelijk. Indien er letsel vastgesteld is aan de voorste kruisband, is het van belang gedurende zeker 8 tot 12 werken intensief te oefenen onder leiding van een fysiotherapeut.

Als er bij artroscopie slijtage van het kraakbeen is vastgesteld kan het zijn dat de patiënt na de operatie klachten van de knie blijft houden. De knie kan dan zeker 6 weken pijnlijk en dik zijn. Meestal verbeteren de klachten daarna alsnog. Indien de klachten hinderlijk blijven kan een vervolgbehandeling noodzakelijk zijn, al dan niet door middel van een operatie.


Complicaties
Complicaties na een kijkoperatie komen gelukkig zelden voor. Omdat het een relatief kleine en kortdurende operatie betreft heeft het vaak slecht enkele kleine wondjes. De complicaties die zouden kunnen voorkomen zijn hieronder kort beschreven.


  • Nabloeding uit de wondjes: De insteekwondjes in de huid waardoor de instrumenten bij de artroscopie de knie worden ingebracht hoeven meestal niet gehecht te worden, er worden dan hechtstrips gebruikt. Toch kunnen de wondjes soms nabloeden. Het verwisselen van het verband en de pleistertjes kan vaak helpen.

  • Infectie: de kans op een infectie is heel klein, omdat er op de operatiekamer onder steriele omstandigheden word gewerkt. Mocht de knie echter pijnlijk, gezwollen, rood en warm worden, gepaard met koorts en pus afvloed uit de wondjes moet de patiënt contact opnemen met het ziekenhuis.

  • Trombosebeen: dit risico is gering. Ten gevolge van de operatie en het feit dat de patiënt na de operatie wat minder mobiel is, is er soms tijdelijk sprake van een verminderde bloeddoorstroming in het geopereerde been. Dit kan tot gevolg hebben dat er een bloedstolsel in een bloedvat van het been ontstaat waardoor een gespannen, dik, glanzend en pijnlijk been ontstaat. Om die reden krijgt de patiënt op de dag van opname een injectie ter preventie van trombose. Het is verstandig om zo spoedig mogelijk na de operatie de knie en de enkel weer te gaan bewegen en langdurig stilzitten te vermijden. Roken, overgewicht, een verhoogd cholesterolgehalte en het gebruik van anticonceptie (de pil) vergroten het risico op trombose.

  • Zwelling of vocht in de knie: na artroscopie is het normaal dat de knie gedurende enige dagen tot ongeveer 2 weken dik is. De operatie veroorzaakt een reactie van het slijmvlies in de knie. Bij knieën met artrose kan de knie soms wel 6 weken na de operatie wat dik blijven. Ook kan in de knie een bloeding ontstaan die zwelling van de knie veroorzaakt. Dit vocht en bloed wordt door het lichaam zelf opgelost om uiteindelijk volledig te verdwijnen. Deze klachtenkunne ook goed reageren op het gebruik van een ontstekingsremmer en op het koelen van de knie.

  • Nabloeding in de knie: aan het einde van de operatie wordt een drukverband om de knie aangebracht dat de patiënt zelf na 24 uur mag verwijderen. Desondanks kan soms toch en zodanige zwelling ontstaan dat de pijn met gewone pijnstillers in hoge dosering niet te behandelen is. In dit geval is het verstandig om contact op te nemen met het ziekenhuis.



Het stellen van een diagnose
De behandelend arts al een lichamelijk onderzoek verrichten dat gericht is op de manier van lopen van de patiënt, de bewegingsmogelijkheden van de knie, zwelling en gevoeligheid van het gewricht. Bij reumatoïde artritis kunnen bloedonderzoek en andere testen nodig zijn om de diagnose vast te stellen.

Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina