Algemene diagnostische criteria voor een persoonlijkheidsstoornis



Dovnload 52.96 Kb.
Datum11.06.2018
Grootte52.96 Kb.

Persoonlijkheidsstoornissen DSM 4

Algemene diagnostische criteria voor een persoonlijkheidsstoornis:

1. Een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die duidelijk afwijken van de verwachtingen binnen de cultuur van betrokkene.

2. Het duurzame patroon is star en uit zich opeen breed terrein van persoonlijke en sociale situaties.

3. Het duurzame patroon leidt in significante mate tot lijden of beperkingen in het sociaal en beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen

4. Het patroon is stabiel en van lange duur en het begin kan worden teruggevoerd naar ten minste de adolescentie of de vroege volwassenheid

5. Het duurzame patroon is niet eerder toe te schrijven aan een uiting of de consequentie van een andere psychische stoornis.

6. Het duurzame patroon is niet het gevolg van de direct fysiologische effecten van een middel (drug, geneesmiddel) of een somatische aandoening (b.v. schedeltrauma)



Persoonlijkheidsstoornissen in de jeugd:

(mag je in de jeugd niet van spreken, omdat kinderen nog zo veranderen in hun

ontwikkeling). Problemen in de kindertijd zijn niet altijd voorspellers voor problematiek in de volwassenheid. Wel de gedragsproblemen voor de externaliserende cluster B persoonlijkheidsstoornis. Mishandeling en seksueel misbruik beïnvloeden de ontwikkeling negatief. Beschermende factoren, positieve ervaringen met anderen, de bereidheid open te staan voor anderen, optimisme.
Markers voor een ontwikkeling tot persoonlijkheidsstoornis:

Gedragsstoornis As 1 312.8

Oppositioneel-opstandige gedragsstoornis As I: 313.81

Gedragsstoornis NAO As I: 312.9

Reactieve hechtingsstoornis as I: 312.89

Depressieve stoornis, recidiverend As I: 296.3x

Langdurige recidiverende angststoornissen zoals de sociale fobie of de gegeneraliseerde

angststoornis


Als deze stoornissen langer dan 3 jaar duren, is er sprake van een zich ontwikkelende

persoonlijkheidsstoornis.



Livesley onderscheidt 3 ontwikkelingstaken:

1. Persoonlijke adaptatie: het ontwikkelen van een stabiel en geïntegreerd zelfbeeld en beeld van de ander. Temperament is daarbij een belangrijke factor.

2. Interpersoonlijke adaptatie: in staat zijn tot het aangaan van intimiteit, gehechtheid en affiliatieve wederkerige relaties. Hierin speelt de gehechtheid een rol (gehechtheidstheorie).

3. Sociale adaptatie: het vermogen tot sociaal gedrag en samenwerken.

Internaliserende stoornissen worden gekenmerkt door een verstoord affect en betreffen angstig, overgecontroleerd, teruggetrokken en geremd gedrag. Ze zijn vooral storend voor het individu zelf.

Externaliserende pathologie wordt vooral gekenmerkt door gedragsstoornissen, in de vorm van, agressief, antisociaal en impulsief gedrag en cognities waarbij het gedrag als storend voor de omgeving wordt opgevat. (ondercontrole).


Specifieke kenmerken van persoonlijkheidsstoornissen:
Cluster A persoonlijkheidsstoornissen:

De mensen komen vreemd/excentriek over op andere personen. De centrale kenmerken zijn

cognitief-perceptuele vervormingen in de waarneming en defecten op het gebied van wantrouwen en hechtingsrelaties.
Bij de paranoïde persoonlijkheidsstoornis vormen wantrouwen en achterdocht de 2 meest essentiële kenmerken. De capaciteit van deze personen om anderen te vertrouwen en de achterdocht zijn zo sterk dat de beweegredenen van anderen worden geïnterpreteerd als kwaadwillig. De prototypische gedachten van paranoïde personen zijn: “ik moet altijd op mijn hoede zijn want anders wordt er misbruik van mij gemaakt” en “ik moet alert zijn op verborgen motieven van anderen”. Het verschil met de paranoïdie As I is dat deze personen meestal geen duidelijke ideeën hebben over andermans beweegredenen.
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis: personen zonder persoonlijkheid. Deze personen geven de voorkeur aan een sociaal element, aangezien ze weinig tot geen waarde zien in het aangaan en onderhouden van sociale relaties met anderen. Einzelgangers. Vanwege hun geringe behoefte aan interpersoonlijke contacten melden ze zich zelden aan voor behandeling. In het algemeen worden deze personen nauwelijks opgemerkt door anderen vanwege hun rustige en niet-intrusieve manier van optreden.
Schizotypische persoonlijkheidsstoornis.: deze vertoont qua uitingsvorm veel overeenkomsten met de (chronische) psychotische stoornis. Voor de persoonlijkheidsstoornis hoeft geen sprake te zijn van hallucinaties en/of wanen. Overeenkomst met de psychotische stoornis is dat vooral deze persoonlijkheidsstoornis op anderen als zeer vreemd of excentriek overkomt. Er zijn belangrijke sociale en intermenselijke beperkingen. Ze hebben een verminderd vermogen tot het aangaan van intiem relaties en ervaren dikwijls vervormingen in hun percepties en cognities. Ze worden veelal opgeslokt in hun eigen vreemde wereld, wat het voor hen moeilijk maakt een plaats in de maatschappij te vinden waar ze zich comfortabel voelen.
Specifieke diagnostische criteria van de schizotypische persoonlijkheidsstoornis:

A een diepgaand patroon van sociale en intermenselijke beperkingen, gekenmerkt door een acuut gevoel van ongemak bij en een verminderd vermogen tot het aangaan van intieme relaties, en ook door cognitieve en perceptuele vervormingen en eigenaardigheden in het gedrag, beginnend in de vroeg volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties zoals blijkt uit 5 of meer van de volgende criteria:

1. Betrekking ideeën met uitsluiting van betrekkingswanen

2. Eigenaardige overtuigingen of magische denkbeelden, die het gedrag beïnvloeden en die niet in overeenstemming zijn met de eigen subculturele normen (b.v. bijgelovigheid, geloof in helderziendheid, telepathie of zesde zintuig, bij kinderen en adolescenten bizarre fantasieën of preoccupaties.

3. Ongewone perceptuele waarnemingen, met inbegrip van lichamelijke illusies.

4. Merkwaardige gedachten en spraak (b.v. vaag, wijdlopend, metaforisch, met een overmaat aan details, of stereotiep)

5. Achterdocht of paranoïde ideeën.

6. Inadequaat of ingeperkt affect.

7. Zonderling, excentriek of vreemd gedrag of uiterlijk

8. Heeft geen intieme vrienden of vertrouwelingen buiten eerstegraadsfamilieleden.

9. Buitensporige sociale angst die niet afneemt in een vertrouwde omgeving en die eerder de neiging heeft samen te gaan met paranoïde angst dan met een negatief oordeel over zichzelf.
Cluster B persoonlijkheidstoornissen:

Deze worden vooral gekenmerkt door instabiliteit. Afhankelijk van het type cluster B-stoornis, kan deze instabiliteit zich op diverse functionele domeinen (emotieregulatie, impulscontrole, relatievorming en zelfbeeld) manifesteren. Doorgaans wordt de instabiliteit zichtbaar als gedrag met een dramatisch, emotioneel, grillig, onevenwichtig of onvoorspelbaar karakter.


De antisociale persoonlijkheidsstoornis is een persoon die vanaf jonge leeftijd kampt met gedragsproblemen, op volwassen leeftijd weinig respect heeft voor de medemens en weinig tot geen rekening houdt met de belangen van anderen. Ook het gebrek aan planning en het niet bezig zijn met en kunnen overzien van de consequenties van gedragingen is kenmerkend voor deze stoornis. Een interview met deze personen is lastig omdat ze de gewoonte hebben mensen te misleiden of te liegen over hun ware aard, zeker wanneer ze daar zelf voordeel bij denken te hebben. Sinds de jaren 80 pleit een groep onderzoekers en clinici voor het opnemen van de meer traditionele kenmerken van psychopathie, zoals gebrek aan empathie, gevoelsarmoede, grandiositeit en oppervlakkige charme. Omdat de DSM voornamelijk harde feiten als criterium heeft opgesteld, waarmee je ook andere mensen tot deze categorie zou kunnen rekenen, terwijl ze dat niet zijn (sociale redenen voor hun criminele gedrag).
De diagnostische criteria voor de antisociale persoonlijkheidsstoornis:

A Een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor en schending van de rechten van anderen vanaf het 15de jaar aanwezig, zoals blijkt uit 3 of meer van de volgende criteria:

1. Niet in staat zich te conformeren aan de maatschappelijke norm dat men zich aan de wet moet houden zoals blijkt uit het bij herhaling tot handelingen komen die een reden voor arrestatie kunnen zijn.

2. Oneerlijkheid, zoals blijkt uit herhaaldelijk liegen, het gebruik van valse namen of anderen bezwendelen t.b.v. eigen voordeel of plezier.

3. Impulsiviteit of onvermogen vooruit te plannen.

4. Prikkelbaarheid en agressiviteit, zoals blijkt uit bij herhaling komen tot vechtpartijen of geweldpleging

5. Roekeloze onverschilligheid voor de veiligheid van zichzelf of anderen

6. Constante onverantwoordelijkheid, zoals blijkt uit het herhaaldelijk niet in staat zijn geregeld werk te behouden of financiële verplichtingen na te komen.

7. Ontbreken van spijtgevoelens, zoals blijkt uit de ongevoeligheid voor of het rationaliseren van het feit anderen gekwetst , mishandeld of bestolen te hebben.
De Narcistische persoonlijkheidsstoornis: de eerste impressie van deze personen is meestal positief: charmant, zelfbewust en bewonderenswaardig. Doordat personen met deze stoornis doorgaans in de veronderstelling leven dat ze zeer bijzonder zijn, menen ze op basis daarvan echter ook recht te hebben op een bijzondere behandeling, op privileges en gunsten. Ze zijn er voortdurend op uit om bewondering te oogsten, steun en erkenning te krijgen van anderen, terwijl ze zelf niet of nauwelijks in staat zijn om lief te hebben, zich in te leven in en rekening te houden met de gevoelens van anderen. Tekortkomingen en fouten zullen ze niet snel op zichzelf betrekken, maar eerder wegredeneren, toeschrijven aan anderen of wijten aan de omstandigheden. Ze omringen zich het liefst met anderen die tegen hen opkijken of die zij kunnen gebruiken. Ook kunnen ze opgaan in onrealistische fantasieën over beroemd zijn, rijkdom of veel succes hebben.
Specifieke diagnostische criteria voor de narcistische persoonlijkheidsstoornis:

A een diepgaand patroon van grootheidsgevoelens (in fantasie of gedrag), behoefte aan bewondering en gebrek aan empathie, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in uiteenlopende situaties zoals blijkt uit 5 of meer van de volgende criteria:

1. Heeft een opgeblazen gevoel van eigen belangrijkheid (b.v. overdrijft eigen prestaties en talenten, verwacht als superieur erkend te worden zonder de daarbij behorende prestaties).

2. Is gepreoccupeerd met fantasieën over onbeperkte successen, macht, genialiteit, schoonheid of ideale liefde.

3. Gelooft dat hij of zij heel speciaal en uniek is en alleen begrepen kan worden door, of hoort om te gaan met, andere heel speciale mensen of mensen (of instellingen) met een hoge status.

4. Verlangt buitensporige bewondering

5. Heeft een gevoel bijzondere rechten te hebben, d.w.z. onredelijke verwachtingen van een uitzonderlijk welwillende behandeling of een automatisch meegaan met zijn of haar verwachtingen.

6. Exploiteert anderen, d.w.z. maakt misbruik van anderen om zijn of haar eigen doeleinden te bereiken.

7. Heeft gebrek aan empathie: is niet bereid de gevoelens en behoeften van anderen te erkennen of zich ermee te vereenzelvigen.

8. Is vaak afgunstig of meent dat anderen op hem of haar afgunstig zijn.

9. Is arrogant of toont hooghartig gedrag of houdingen.

Borderline persoonlijkheidsstoornis personen worden gekenmerkt door impulsiviteit en door instabiliteit van stemming, relaties en zelfbeeld. De term stabiel onstabiel is een treffende omschrijving van deze stoornis. Ze kunnen snel wisselen van iemand bewonderen naar iemand afkeuren of zelfs haten, zonder dat er een duidelijke reden voor die wisseling van perceptie aanwijsbaar is. Ook hun intense angst om verlaten te worden beïnvloedt de perceptie van en de communicatie met anderen. Op een relatief kleine gebeurtenis in de interpersoonlijke sfeer kunnen ze erg heftig, inadequaat en impulsief reageren, b.v. in de vorm van heftige stemmingswisselingen, ongecontroleerde woedaanvallen of dissociatieve verschijnselen. Ook kunnen ze snel gepreoccupeerd raken met het denkbeeld een minderwaardig persoon te zijn en zichzelf te moeten straffen. Zelfbeschadiging, suïcidale gevoelens, gedachten en gestes en zelfmoordpogingen komen dan ook frequent voor. Suïcidaal gedrag is dikwijls niet zozeer een signaal van een daadwerkelijke doodswens, maar dient meestal om de aandacht te krijgen of om even geen pijn meer te hoeven voelen.
Specifieke diagnostische criteria voor de borderline persoonlijkheidsstoornis

A Een diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke relaties, zelfbeeld en affecten en van duidelijke impulsiviteit, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties zoals blijkt uit 5 of meer van de volgende criteria:

1. Krampachtig proberen te voorkomen feitelijk of vermeend in de steek gelaten te worden.

2. Een patroon van instabiele en intense intermenselijke relaties gekenmerkt door wisselingen tussen overmatig idealiseren en kleineren

3. Identiteitsstoornis: duidelijk en aanhoudend instabiel zelfbeeld of zelfgevoel

4. Impulsiviteit op ten minste 2 gebieden die in potentie betrokkene zelf kunnen schaden (b.v. geld verkwisten, seks, misbruik van middelen, roekeloos autorijden, vreetbuien)

5. Recidiverende suïcidale gedragingen, gestes of dreigingen of automutilatie

6. Affectlabiliteit als gevolg van duidelijke reactiviteit van de stemming (b.v. periodes van intense somberheid, prikkelbaarheid of angst, meestal enkele uren durend en slechts zelden langer dan een paar dagen)

7. Chronisch gevoel van leegte

8. Inadequate, intense woede of moeite kwaadheid te beheersen (b.v. frequentie driftbuien, aanhoudende woede of herhaaldelijke vechtpartijen)


Theatrale persoonlijkheidsstoornis: ze kunnen worden getypeerd als opvallend en kleurrijk; ze presenteren zich meestal uitbundig, met gevoel voor drama, verleidelijk en aandachtzoekend. Hun gevoelens etaleren ze op een opvallende manier en van een klein voorval kunnen ze een groots en meeslepend drama maken. De emotionele uitbundigheid van deze individuen is echter bedrieglijk en dient doorgaans juist als een maskering voor een oppervlakkig en labiel gevoelsleven en een onvermogen tot diepgaande en stabiele gevoelens van affectie. Ze zijn doorgaans naar partners niet loyaal. Net als narcistische personen zijn theatrale personen op zoek naar aandacht en hebben ze het verlangen op te vallen en zich te onderscheiden van de massa. De narcistische persoon zal zich hierbij echter beperken tot gedrag waarmee hij/zij denkt bewondering te verwerven, terwijl de theatrale persoon ook bereid is tot gedrag dat door anderen als vernederend wordt beschouwd.

Specifieke diagnostische criteria van de theatrale persoonlijkheidsstoornis:

A Een diepgaand patroon van buitensporige emotionaliteit en aandacht vragen, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties zoals blijkt uit 4 of meer van de volgende criteria:

1. Voelt zich niet op zijn/haar gemak in situaties waarin hij//zij niet in het centrum van de belangstelling staat

2. De interactie met anderen wordt vaak gekenmerkt door ongepast seksueel verleidelijk of uitdagend gedrag.

3. Toont snel wisselende en oppervlakkige emotionele uitingen

4. Maakt voortdurend gebruik van het eigen uiterlijk om de aandacht op zichzelf te vestigen

5. Heeft een manier van spreken die uitermate impressionistisch is en waaraan details ontbreken

6. Toont zelfdramatiserende, theatrale en overdreven uitingen van emoties

7. Is suggestibel, d.w.z. gemakkelijk te beïnvloeden door anderen of de omstandigheden.

8. Beschouwt relaties als intiemer dan ze in werkelijkheid zijn.
Cluster C persoonlijkheidsstoornissen
Bij de 3 cluster C persoonlijkheidsstoornissen is angstig zijn het meest in het oog springende kenmerk. De wijze waarop deze angst zich manifesteert (vermijding, aanklampgedrag, controledrang en perfectionisme) verschilt echter aanzienlijk per stoornis.
De ontwijkende persoonlijkheidsstoornis: hier staat vermijdingsgedrag centraal. Ze zijn bang in sociaal opzicht negatief bejegend te worden en door anderen te worden afgekeurd of vernederd. Er is vaak sprake van geremdheid in sociale contacten en minderwaardigheidsgevoelens. Daarin lijken ze op de schizoïde personen, maar i.t.t. hun hebben ze wel een normale behoefte aan interpersoonlijk contact en intimiteit. Ze zijn echter dermate gevoelig en kwetsbaar voor afwijzing en kritiek dat voor hen de minst slechte optie is het vermijden van contacten, aangezien dat vermijdingsgedrag volgens hen ook het risico vermindert op het krijgen van kritiek of afgewezen worden. In het algemeen zullen deze personen trachten een goede indruk te maken, geen kritiek over zich af te roepen en persoonlijke risico’s uit de weg gaan
Specifieke diagnostische criteria van de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis:

A Een diepgaand patroon van geremdheid in gezelschap, gevoel van tekortschieten en overgevoeligheid voor een negatief oordeel, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in uiteenlopende situaties zoals blijkt uit 4 of meer van de volgende criteria:

1. Vermijdt beroepsmatige activiteiten die belangrijke intermenselijke contacten met zich meebrengen uit vrees voor kritiek, afkeuring of afwijzing.

2. Heeft onwil om bij mensen betrokken te raken, tenzij er zekerheid bestaat dat men hem/haar aardig vindt.

3. Toont gereserveerdheid binnen intieme relaties uit vrees vernederd of uitgelachen te worden.

4. Is gepreoccupeerd met de gedacht in sociale situaties bekritiseerd of afgewezen te worden

5. Is in nieuwe intermenselijke situaties geremd vanwege het gevoel tekort te schieten.

6. Ziet zichzelf als sociaal onbeholpen en voor anderen onaantrekkelijk of minderwaardig.

7. Is uitzonderlijk onwillig persoonlijke risico’s te nemen of betrokken te raken bij nieuwe activiteiten, omdat deze hem of haar in verlegenheid zouden kunnen brengen.
De afhankelijke persoonlijkheidsstoornis: Deze personen proberen hun leven zo in te richten dat ze voortdurend voorzien zijn van hulp en ondersteuning en er nooit alleen voor hoeven staan. Verantwoordelijkheid voor dagelijkse en belangrijke beslissingen laten ze bij voorkeur over aan iemand anders, omdat ze niet genoeg vertrouwen hebben in hun eigen vermogen om goede keuzes te maken. Ze zijn bang dat ze niet voor zichzelf kunnen zorgen. Dit resulteert in een angst voor verlating, waardoor ze dikwijls in overdreven meegaand, opofferend en onderdanig gedrag naar anderen verzeild raken. Ze zullen anderen niet snel tegenspreken, ook al hebben ze een andere mening.
Specifieke diagnostische criteria van de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis:

A Een diepgaande en buitensporige behoefte aan verzorgd worden, hetgeen leidt tot onderworpen en vastklampend gedrag, en de angst in de steek gelaten te worden, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in uiteenlopende situaties zoals blijkt uit 5 of meer van de volgende criteria:

1. Kan moeilijk alledaagse beslissingen nemen zonder overdreven veel advies en geruststelling door anderen

2. Heeft anderen nodig die verantwoordelijkheid overnemen voor de meeste belangrijke gebieden van zijn of haar leven.

3. Vindt het moeilijk een verschil van mening tegen anderen te uiten uit vrees steun of goedkeuring te verliezen. NB. Reken hier niet de realistische vrees voor straf toe.

4. Heeft moeilijkheden ergens alleen aan te beginnen of dingen alleen te doen (eerder als gevolg van een gebrek aan zelfvertrouwen/vertrouwen in eigen oordeel of mogelijkheden dan uit gebrek aan motivatie of energie.

5. Gaat tot het uiterste om verzorging en steun van anderen te krijgen, kan zelfs aanbieden vrijwillig dingen te doen die onplezierig zijn.

6. Voelt zich onbehaaglijk of hulpeloos wanneer hij/zij allen is, vanwege de overmatige vrees niet in staat te zijn voor zichzelf te zorgen.

7. Zoekt hardnekkig naar een andere relatie als bron van verzorging en steun als een intieme relatie tot een einde komt.

8. Is op een onrealistische wijze gepreoccupeerd door de vrees aan zichzelf te worden overgelaten.



Obsessieve-compulsieve (of dwangmatige) persoonlijkheidsstoornis:

Personen met deze stoornis worden gekenmerkt door perfectionisme, een rigide (koppige en starre) i.p.v. een flexibele houding en een preoccupatie met ordening en controle. Deze mensen worden vaak erg gewaardeerd in de maatschappij als deze kenmerken in een mildere vorm aanwezig zijn. Bij dwangmatige mensen is de drang tot perfectionisme en preoccupatie met ordening en controle echter dusdanig doorgeschoten dat het ten koste gaat van flexibiliteit, openheid en doelmatigheid. Doordat dwangmatige personen hoge eisen stellen aan het eigen functioneren en een vergelijkbaar hoog niveau verwachten van de mensen om hen heen, roepen ze vaak ergernis bij anderen op. Samenwerken met anderen doen dwangmatige personen liever niet of alleen als ze zelf kunnen bepalen hoe het werk gedaan wordt.


Specifieke diagnostische criteria van de obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis:

A Een diepgaand patroon van preoccupatie met ordelijkheid, perfectionisme, beheersing van psychische en intermenselijke processen, ten koste van soepelheid, openheid en efficiëntie, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in uiteenlopende situaties, zoals blijkt uit 4 of meer van de volgende criteria:

1. Is gepreoccupeerd met details, regels, lijsten, ordening, organisatie of schema’s, hetgeen zo ver gaat dat het uiteindelijke doel uit het oog verloren wordt.

2. Toont een perfectionisme dat het afmaken van een taak bemoeilijkt (b.v. onvermogen iets af te maken omdat het niet aan eigen overtrokken eisen voldoet).

3. Is overdreven toegewijd aan werk en productiviteit met uitsluiting van ontspannende bezigheden en vriendschappen (niet te verklaren door een duidelijke economische noodzaak).

4. Is overdreven gewetensvol, scrupuleus en star betreffende zaken van moraliteit, ethiek of normen (niet te verklaren vanuit culturele of godsdienstige achtergrond).

5. Is niet in staat versleten of waardeloze voorwerpen weg te gooien, zelfs als ze geen gevoelswaarde hebben.

6. Is afkerig van delegeren van taken en van samenwerken met anderen, tenzij deze anderen zich geheel onderwerpen aan zijn of haar manier van werken.

7. Heeft zich een stijl van gierigheid eigen gemaakt t.a.v. zichzelf en anderen, geld wordt gezien als iets wat opgepot moet worden voor toekomstige catastrofes.

8. Toont starheid en koppigheid.


Persoonlijkheidsstoornis N.A.O.

Binnen deze categorie worden 3 verschillende vormen onderscheiden:

1. Andere persoonlijkheidsstoornissen b.v de depressieve- en de passief-agressieve-

2. De gemengde persoonlijkheidsstoornis

3. De atypische persoonlijkheidsstoornis
De depressieve persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door: chronisch last van somberheid en schuldgevoelens, van jongs af aan een laag zelfbeeld en gevoelens en cognities van waardeloosheid en inadequaatheid.

De passief-agressieve persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door het zich op een passieve manier afzetten tegen werkgerelateerde taken en sociale verplichtingen. Ze voelen zich vaak misken en onbegrepen door anderen en ervaren redelijke verzoeken van anderen doorgaans als beledigend. Het zijn vaak notoire klagers over het gedrag en de instelling van anderen. Ze maken over het algemeen de indruk over zelfvertrouwen te beschikken, maar in werkelijkheid ervaren ze meestal een intens conflict tussen enerzijds innerlijke onzekerheid en afhankelijkheidsgevoelens en anderzijds de verwachting door anderen teleurgesteld te worden. Aangezien deze personen bij anderen vaak daadwerkelijk weerstand en een vijandige houding oproepen, komt het vaak voor dat anderen zich inderdaad negatief opstellen t.o. de passief- agressieve persoon.



PERSOONLIJKHEIDSSTOORNISSEN IN DE DSM-5

In de DSM-5 wilde men een ander systeem introduceren gebaseerd op het BIG-5 model, dit systeem is er echter niet ingekomen. Dit systeem wordt vooral gebruikt in de persoonlijkheidstesten.


Het vijf-factoren model:

Big Five (persoonlijkheidsdimensies)

De theorie van de Big Five geeft vijf dimensies waarmee het karakter, ofwel de persoonlijkheid, van personen beschreven kan worden door van elk van die dimensies aan te geven of die meer of minder van toepassing is op die persoon. De Big Five is oorspronkelijk gebaseerd op een Amerikaans onderzoek naar het gebruik van alle bijvoeglijk naamwoorden waarmee proefpersonen het karakter van een hun bekende persoon beschreven. Later is dit onderzoek in verschillende (meest Westerse) talen herhaald en ook met meer woordsoorten.

De theorie van de Big Five is niet de eerste theorie die de persoonlijkheid uitdrukt in een bepaald aantal termen. Bekende voorgangers van de Big Five waren onder meer de vier temperamenten van de oude Grieken, de 16-factortheorie van Raymond B. Cattell en de driedimensionale theorie van Hans Eysenck. De theorie van de Big Five is de meest recente in deze reeks.


De vijf persoonlijkheidsdimensies:

De vijf dimensies zijn van een hoog en breed algemeen betekenisniveau. Daarom zijn aanduidingen met abstracte termen uit de psychologie, zoals 'extraversie' of 'neuroticisme', beter dan aanduidingen met woorden die in de omgangstaal een heel specifieke betekenis hebben, zoals 'vriendelijkheid'. De Nederlandse Big Five onderzoekers Wim Hofstee en Boele de Raad, hebben voor de vijfde dimensie een iets ander label gekozen dat beter aansluit bij hun onderzoeksgegevens: Intellectuele autonomie.


1. Extraversie (tegenover introversie).

Engels: Extraversion or Introversion.

2. Mildheid (tegenover Bazigheid)

Engels: Agreeableness.

3.Ordelijkheid (tegenover Wanordelijkheid).

Engels: Conscientiousness

4. Emotionele stabiliteit (tegenover Emotionele instabiliteit)

Engels: Emotional Stability t.o Neuroticism.

5. Autonoom (intellectuele autonomie) (tegenover niet-autonoom)

Engels Openness to Experience en Intelligence


Een Engelstalig mnemotechnisch middeltje is het acroniem OCEAN: Openness, Conscientiousness, Extraversion, Agreeableness en Neuroticism.
Extraversie/ Positieve emotionaliteit, Neuroticisme/ Negatieve emotionaliteit, Zorgvuldigheid/Beheersing, Aangenaamheid/ Vriendelijkheid en openheid

Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina