Activiteitenplan Jelgersma van der Hoop Stichting 2016-2020



Dovnload 329.35 Kb.
Datum15.09.2018
Grootte329.35 Kb.




Activiteitenplan Jelgersma van der Hoop Stichting 2016-2020.
De kern van de activiteiten van de Stichting wordt gevormd door het onderhoud en instandhouding van de landerijen in een goede maar cultuur historisch verantwoorde staat. Zo is in de afgelopen 5 jaren de boerderij, “De Wilca Hoeve”,geheel gerenoveerd en voor bewoning geschikt gemaakt. daarvoor was inmiddels al het woonhuis “Mea Wilca” gerenoveerd. Beide vormen een beeldbepalend element in het “Groene hart”van Schoorl.

De komende jaren wordt onder deskundige leiding van medewerkers van “Landschap Noord Holland” door een groep van 10 vrijwilligers gewerkt aan het onderhoud van de landerijen en de gedeeltelijke uitvoering van een uitgebreid advies van het bureau “Ten Haaf en Bakker”, dat integraal deel uit maakt van dit pla..




1. Inleiding

De in 1934 opgerichte Stichting Jelgersma - Van der Hoop bezit in en rond het centrum van Schoorl een aantal graslanden, bosjes en bijbehorende gebouwen met een oppervlakte van ca. 8,3 ha. De Stichting heeft als doel deze ‘onroerende goederen in de best mogelijke staat van onderhoud voor het nageslacht te bewaren, zulks mede in het kader van de landschappelijke en cultuurhistorische waarde welke deze onroerende goederen binnen Schoorl hebben’. Recent is rekent men het realiseren van de natuurdoelstellingen in het kader van de Regeling Natuur ook tot de taken van de Stichting.

Dat de kern van Schoorl nog steeds een landelijk karakter heeft is zonder twijfel te danken aan de aktiveiten van de Stichting.
Van belang is dat de terreinen van de Stichting in het overgangsgebied van duin naar polder liggen. In deze z.g. ‘duinzoom’ zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor natuur zeer groot. Om die reden is de duinzoom zowel in de nationale als provinciale ecologische hoofdstuctuur aangegeven als kansrijke gradiënt voor natuurontwikkeling. Dit hangt samen met het voorkomen van geleidelijke overgangen van droog naar nat, van voedselarm naar voedselrijk en het optreden van kwalitatief goed kwelwater vanuit de duinen.
In deze ‘quickscan’ worden de ontwikkelingsmogelijkheden voor natuur en landschap voor de terreinen van de Stichting geschetst. Daarna wordt kort ingegaan op de inrichtings- en beheersmaatregelen die nodig zijn om de geschetste ontwikkelingen mogelijk te maken. Een globale kostenraming maakt eveneens deel uit van het plan.




figuur 1. Ligging en indeling



2. Inventarisatie
2.1. Ligging en indeling

De terreinen van de Stichting liggen in het centrum van Schoorl. Het vierkante centrale grasland langs de Laanweg heeft een oppervlakte van ca. 4,2 ha. Ten oosten hiervan ligt tegen het erf van de Wilca Hoeve nog een grasland met een grootte van 1 ha. Tussen de Laanweg en het Centrale bosje ligt nog een graslandperceel met een oppervlakte van 0,35 ha. Het centrale bosje zelf is 0,2 ha. groot.

Aan de andere kant van de Molenweg ligt de ijsbaan, die een totale oppervlakte heeft van ca. 2,2 ha., met daarbij het bosje dat 0,5 ha. groot is.

Aan de overkant van de Laanweg ligt achter de Nederlands Hervormde kerk het z.g. Kerkeland, met een oppervlakte van ca. 0.95 ha. ‘Sunny and Jive’ , waarvan de kledingzaak in het centrum van Schoorl in 2005 afbrandde, heeft een tijdelijk noodgebouw op dit perceel.

De langs de Voorweg gelegen Verbrande Hofstee tot slot is ca. 1,6 ha. groot.

2.2. Ontstaansgeschiedenis en landschap
Er is weinig literatuur over het ontstaan van het plangebied. Op de geomorfologische kaart is het gebied aangegeven als ‘bebouwde kom’ en verder niet benoemd. Ook in de uitgebreide karteringen en onderzoeken die zijn verricht in het kader van de Landinrichting Bergen-Egmond-Schoorl vallen de terreinen van de Stichting steeds buiten het onderzochte gebied. De Geologische kaart 1 : 50000 geeft gelukkig meer informatie. Het hele gebied is gekarteerd als ‘Jonge Duin en Strandzanden op Oude Duin en Strandzanden op Afzettingen van Duinkerke of op Afzettingen van Calais , plaatselijk met Hollandveen’. Het gebied ligt dus in een zone van Oude Duinen, die bij de vorming van de Jonge Duinen, in de Middeleeuwen, overstoven zijn. Waarschijnlijk is het gebied veel reliëfrijker geweest, maar is er in loop der tijd veel geëgaliseerd en afgegraven.


De Nollen en het bosje bij de ijsbaan hebben waarschijnlijk nog iets van het oorspronkelijke reliëf. Het maaiveld van de ijsbaan is, gezien het grote hoogteverschil met het bosje, aanzienlijk verlaagd. Wanneer dit is gebeurd is niet duidelijk.
Op de historisch-geografische waardenkaart van de provincie Noord-Holland is alleen het Kerkenland aangegeven als archeologisch ´zeer hoge waarde´. De motivatie voor deze aanwijzing luidt als volgt: ‘Het betreft een terrein waar zich twee, stratigrafisch gescheiden, woonniveaus bevinden. De bovenste, tussen 88-155 cm - mv. aangeboord, kan op grond van het vondstmateriaal in de Vroege Middeleeuwen worden gedateerd. De onderste, tussen 190-240 cm - mv, is van prehistorische ouderdom, mogelijk Bronstijd of IJzertijd. De overblijfselen van beide lagen bestaan onder meer uit afgedankt huisraad en grondsporen, zoals paalgaten en afvalkuilen. De bewoningsniveau's zijn overstoven met duinzand. Gezien de grote wetenschappelijke betekenis - de goed bewaarde overblijfselen leveren een bijdrage aan de bewoningsge-schiedenis van het gebied - is dit terrein voorgedragen voor bescherming. Blijvend behoud staat voorop’.
Op een kadastrale kaart uit 1823 (archief Wil Janssen) hebben de terreinen van de Stichting al globaal dezelfde vorm. Wel zijn ze verder onderverdeeld in kavels. Zo bestond de ijsbaan destijds uit 7 kadastrale kavels. Of deze kavels ook van elkaar gescheiden waren door sloten of rellen blijkt niet uit de kaart.

Als we de topografische kaart uit 1908 vergelijken met de huidige situatie, blijkt op de terreinen van de Stichting weinig veranderd te zijn. De landschappelijke opbouw van het terrein is in grote lijnen hetzelfde gebleven. De centrale graslanden waren een eeuw geleden ook al als zodanig in gebruik. Alleen een perceel langs de Laanweg werd toen als bouwland gebruikt. Een deel van de huidige sportvelden was eveneens als bouwland in gebruik. Ook op oude ansichtkaarten en gravures (archief Wil Janssen) is te zien dat deze percelen als akker gebruikt werden. Verder valt ook hieraan op dat er sinds het begin van de 20e eeuw niet echt veel is veranderd aan de bezittingen van de Stichting. Oude ansichtkaarten laten vooral een open landschap zien. Naar verdwenen hagen of houtwallen zal men vergeefs zoeken. Men had een mooi uitzicht over het centrale grasland vanaf het dakterras van het nu verdwenen restaurant Van de Garde.

Uitzicht vanaf Hotel van de Garde
Op de kaart uit 1908 zien we dat er toen meer duinrellen door de graslanden liepen. De huidige rellen waren destijds ook al aanwezig, maar daarnaast zien we nog drie waterlopen. De locaties van deze duinrellen komen waarschijnlijk overeen met de greppels die circa 15 jaar gelden zijn gedempt met klei. Op luchtfoto´s is de loop van oude rellen en/of greppels nog te herkennen.
Aan de vorm van de ijsbaan en het bosje is in vergelijking met 1908 weinig veranderd. De Verbrande hofstee bestond een eeuw geleden nog uit meerdere perceeltjes. De achterliggende Nollen waren nog niet bebost en ook de vijver was er nog niet.

Het Kerkeland was groter, aan de oostzijde is een deel verloren gegaan aan woningbouw en wegaanleg.

Zijn de veranderingen op de terreinen van de Stichting gering, in de directe omgeving zijn ze des te groter. Er is veel bijgebouwd en de duinen en nollen zijn dicht begroeid geraakt met bos.

De Verbrande hofstee is eind 90er jaren door de gemeente ingericht als natuurgebied. Belangrijkste maatregel daarbij was dat de toplaag van de bodem is afgeplagd




2002



1908

    1. water en bodem


water

Het is in hydrologisch opzicht is van groot belang dat de terreinen in de z.g. ‘duinzoom’ liggen, ofwel het overgangsgebied van duin naar polder. Eén van de kenmerken van de duinzoom is dat er kwelwater vanuit de duinen aan de oppervlakte komt. Het Schoorlse duingebied is breed en hoog en vormt daarmee een belangrijk brongebied van kwelwater van een zeer goede kwaliteit. Volgens een onderzoek van Stuyfzand ( ) is het ondiepe grondwater in de terreinen van de Stichting van het F2/3CaHCO3-type. Dit water heeft een lange weg door de bodem afgelegd en is daardoor basisch en mineraalrijk van samenstelling. De aanwezigheid van dit grondwatertype maakt het gebied kansrijk voor natuurontwikkeling.

Een deel van het kwelwater stroomt via het grondwater af in de richting van de polder, een ander deel via duinrellen. Dit zijn meestal gegraven waterlopen, die voor de ontwatering van het duinzoomgebied zorgen. In sommige gevallen, zoals bij de Catrijpermoor, vindt de afwatering plaats via min of meer natuurlijke waterlopen. Door de aanwezigheid van stromend water van goede kwaliteit kunnen duinrellen een grote natuurwaarde hebben.

Over de terreinen van de Stichting lopen een aantal duinrellen. Opmerkelijk is dat enkele daarvan in de richting van de duinen stromen. Dat komt doordat de Nollen uit Oude Duinen bestaan, die een tweede voedingsgebied vormen. Dit is een uitzonderlijke situatie langs de Nederlandse kust. In figuur 2 is de hydrologische situatie met stroomrichtingen weergegeven.

In de rel die langs de noordrand van de ijsbaan loopt is een regelbare stuw aangebracht die ’s winters wordt dichtgezet. Het water in de rel wordt dan opgestuwd waardoor men via een iets westelijker gelegen duiker water in kan laten op de ijsbaan. Als er door weinig neerslag toch onvoldoende water is kan dat worden aangevuld vanuit een bron die voorzien is van een pomp. Dit gebeurt vooral al er al ijs ligt en de waterhoeveelheid aangevuld moet worden. Omdat dit opgepompte water een relatief hoge temperatuur heeft laat men het eerst een stuk door het terrein lopen. Over de kwaliteit van dit water en het pakket waaruit het opgepompt wordt is niets bekend. Het is waarschijnlijk dat het hier om een basisch grondwatertype gaat.
Recent is in het kader van de scheiding van hemel- en rioolwater, die door de gemeente Bergen wordt uitgevoerd, het winkelcentrum Schoorl afgekoppeld. Het hemelwater van een gebied met een oppervlakte van 0,5 ha. (daken en bestrating) wordt daardoor geloosd op de bovenloop van de duinrel die langs het grote centrale grasveld loopt. Mogelijk wil men in de toekomst de lozingsopper-vlakte uitbreiden met nog eens 0,2 ha. Er lozen op het systeem geen wegen waarover autoverkeer plaatsvindt, zodat de kans op verontreinigingen gering is. De leiding waardoor het water wordt aangevoerd loopt langs de rand het centrale grasveld. Deze leiding is dicht en ligt vrij diep, waardoor deze geen invloed heeft op de waterhuishouding van het grasveld.
Hoewel het water dat op de rel geloosd wordt dus niet verontreinigd is geeft het toch beperkingen aan de ecologische ontwikkelings-mogelijkheden. Regenwater is zuur en de ecologische kwaliteiten van de duinrel worden juist bepaald door basisch water. Doordat het hemelwater in het meest ‘bovenloopse’ deel van het rellensysteem wordt geloosd kan het ook een negatieve invloed op alle ‘beneden-loopse’ rellen. Doordat de ijsbaan in de winter onder water wordt gezet met duinrelwater kunnen ook hier de ontwikkelingsmogelijk-heden negatief beïnvloed worden.
In de duinrel, die westelijk van het centrale bosje ligt, mondt een buis uit die drainwater uit het dorp loost. Er is een redelijke kans dat dit water een goede (basische) kwaliteit heeft.
In het verleden zijn in het gebied duinrellen gedempt, o.a. langs de Laanweg (mond med. A. Smit).

In het grote centrale grasveld zijn ca. 15 jaar geleden door de toenmalige pachter drie greppels gedempt met aangevoerde klei. Op de topografische kaart uit 1908 zijn deze greppels nog als waterlopen zichtbaar.


Op 21 september 2006 zijn grondboringen 10 grondboringen tot een diepte van 1 meter uitgevoerd (zie figuur 3). Op de ijsbaan (boring 1 t/m 3) werden grondwaterdieptes van 20 cm aange-troffen. Op 50 à 60 cm. bevond zich de permanent gereduceerde zone. Dieper dan dit zakt het grondwater niet.

Het bosje bij de ijsbaan bestaat uit onvergraven Oude Duinen en dus zit het grondwater hier dieper op 95 cm.

In het grote centrale grasveld en de ‘huiskavel’ bij de Wilca Hoeve (boring 5 t/m 10) werden grondwaterdieptes van 40 à 50 cm aangetroffen. Alleen bij de eerste twee boringen was een permanent gereduceerde zone te onderscheiden op 90 cm.

In het Kerkeland zijn de boringen pas later op 8 december uitgevoerd, na een lange periode met regen. Het grondwater werd aangetroffen op een diepte van 30 en 40 cm. Ongetwijfeld bevond het zich toen enkele decimeters lager.


Bodem

Figuur 3 geeft een beeld van de bodemopbouw per boring. Op de ijsbaan wordt een 10 tot 15 cm dikke humusrijke toplaag aangetroffen, met daaronder humushoudend of humusloos zand.

In het bosje vinden we onder een strooisellaag, tot op een diepte van 75 cm, een humushoudende laag. Deze laag is eerst potloodgrijs en dieper oranje gekleurd. Dit duidt op ‘podzolvorming’, een aanwijzing dat we hier met Oude Duinen te doen hebben.

In de centrale graslanden vinden we onder een 10 cm. dikke humusrijke zandlaag een 40 tot 60 cm dikke humushoudende laag aan, met daaronder humusloos zand. In de greppels (boring 6 en 8) treffen we de aangebrachte klei aan. De breedte en dikte waarin de klei werd aangetroffen duidt erop dat de greppels breed en diep waren en mogelijk het karakter van smalle duinrellen hadden.

Bij het Kerkeland werd tot op grote diepte humushoudend zand aangetroffen, wat er op kan duiden dat het als akkerland in gebruik is geweest. Van podzolvorming was hier echter geen sprake.



    1. flora en vegetatie

Bij de flora-inventarisatie zijn 132 inheemse plantensoorten gevonden. Doordat de inventarisatie pas laat in het seizoen (september) kon worden uitgevoerd zijn zeker een aantal vroege soorten gemist en ligt het werkelijke aantal dus hoger. Er zijn zeven aparte lijsten gemaakt, die zijn weergegeven in bijlage 1. Voor elk geïnventariseerd gebied is per soort de bedekking aangegeven volgens de z.g. Schaal van Tansley, zoals die gebruikt wordt door de provincie Noord-Holland.

In bijlage 1 zijn de gevonden soorten ingedeeld in socio-ecologische-groepen (seg). Deze indeling geeft veel informatie over de standplaatseisen van soorten en dus over het achterliggende abiotisch milieu, dat door de soortensamenstelling wordt weerspiegeld. Hieronder bespreken we de samenstelling van flora en vegetatie per geïnventariseerd gebied.
ijsbaan

Op de ijsbaan zijn 47 plantensoorten gevonden. Als we naar de indeling in socio-ecologische-groepen kijken zien we dat met name onkruiden, storingsplanten en natte pionierplanten goed vertegenwoordigd zijn. Dat past goed bij het dynamische milieu, waarbij het terrein ´s winters onder water wordt gezet en ´s zomers relatief intensief met paarden wordt begraasd. Binnen deze groepen vallen drie pionierplanten van matig voedselarme, vochtige grond op, te weten Waterpostelein, Moerasdroogbloem en Getande weegbree. Volgens het archief van de Provinciale Natuur Informatie (PNI) zijn in 1986 en 1993 op de ijsbaan ook Bronkruid, Moerasmuur en Tijmereprijs gevonden. Het zijn soorten uit het z.g. Dwergbiezen-verbond, een plantengemeenschap die kenmerkend is voor voedselarme periodiek droogvallende zandbodems. Op andere ijsbaantjes in de duinen (Terschelling, Schiermonnikoog) wordt deze zeldzame gemeenschap ook aangetroffen, daar nog beter ontwikkeld.

Waterpostelein
Andere opvallende frequent voorkomende soorten uit deze groepen zijn Waternavel, Waterpeper en Zilverschoon.

Van de planten van bemeste graslanden vallen Tweerijige zegge en Moerasrolklaver op.

Verder komen een aantal laagveenplanten voor, waarvan Moeraswalstro en Egelboterbloem hier en daar worden gevonden, terwijl Zwarte zegge door het hele terrein voorkomt. Volgens het PNI-archief zijn ook Grote ratelaar, Blauw glidkruid en Gewone brunel aangetroffen.

Op een enkele plaats werd Zeegroene zegge aangetroffen, een plant van kalkmoerassen, die hier op de aanwezigheid van kwel duidt.

Een groot deel van de gevonden soorten zijn kenmerkend voor vochtige tot natte bodem (freatofyten).

Uit de vegetatiesamenstelling van de ijsbaan kan worden opgemaakt dat er grote potenties aanwezig zijn voor de ontwikkeling een gevarieerde en kenmerkende natuur.



graslanden

Deze inventarisatielijst omvat alle graslanden m.u.v. de ijsbaan en de Verbrande Hofstee. In totaal zijn 31 plantensoorten gevonden. Doordat de inventarisatie pas in september plaatsvond en het gras kort afgegraasd was, zal het werkelijke aantal waarschijnlijk belangrijk hoger liggen. Toch geeft de soortensamenstelling een goede indicatie van de ‘kwaliteit’ van de vegetatie.

Ook hier zijn onkruiden en storingsplanten belangrijke soortengroepen. Daarnaast zien we dat de meeste gevonden planten behoren tot de groep van planten van vochtige, bemeste graslanden.

Witte klaver, Smalle weegbree, Vertakte leeuwentand en Gestreepte witbol zijn soorten met een hoge bedekking. Gewoon struisgras, Gewoon duizendblad, Zandzegge en Schapenzuring zijn soorten van droge graslanden. Soorten als Rode klaver, Scherpe boterbloem, Kruipende boterbloem en Veldzuring maken het grasland bloemrijk. Volgens het PNI-archief kwamenin 1993 Pinksterbloem, Moerasrolklaver en Gewone brunel verspreid voor.

Samenvattend kunnen we stellen dat de vegetatie uitsluitend bestaat uit landelijk algemene plantensoorten. De samenstelling duidt op een vrij intensief beheer en een geringe abiotische variatie. De graslanden zijn vlak en de greppels zijn gedempt, waardoor er weinig afwisseling is tussen vochtige en droge terreindelen.
Verbrande Hofstee, grasland

In het als natuurgebiedje ingerichte grasland van de Verbrande Hofstee zijn 41 soorten hogere planten aangetroffen. De spreiding over de socio-ecologische-groepen is groot, vrijwel alle hoofdgroepen zijn vertegenwoordigd. Dominerend zijn echter drie soorten van droge, neutrale tot zure graslanden, te weten Gewoon struisgras, Gewoon biggekruid en Gewoon haarmos.

Andere planten die tot dezelfde groep behoren zijn Schapengras, Sint-janskruid, Klein vogelpootje, Schapenzuring en Steenanjer. Steenanjer is een Rode lijstsoort, die zich hier heeft gevestigd door het uitstrooien van een zaadmengsel. Ook Korenbloem en Lupine zijn uit dit zaadmengsel voortgekomen. Het zijn alledrie planten die niet in onze omgeving thuishoren. Het zaadmengels is waarschijnlijk afkomstig uit Frankrijk. Bij natuurontwikkeling is het beter om diasporen te betrekken uit de directe omgeving. Daarmee wordt de samenstelling van natuurlijke vegetaties, die kenmerkend zijn voor de streek, niet verstoord en bestaat er bovendien geen kans dat genetische schade optreedt aan lokale populaties van plantensoorten.

Als we bij natuurontwikkeling de vestiging van soorten willen stimuleren is het dus beter om hooi uit een verwant milieutype uit de omgeving te verspreiden.

Interessant is de vestiging van soorten als Stijve ogentroost en Struikheide, die een ontwikkeling in de richting van droge heide aangeven. Bij begrazingsbeheer zal deze ontwikkeling zich in de toekomst voortzetten. Kiemplanten van Zwarte els, Zomereik en Gewone esdoorn geven aan dat bij het ontbreken van beheer een snelle ontwikkeling in de richting van bos zal plaatsvinden.

Stijve ogentroost


De ruimte voor soorten van vochtige bodem is beperkt. Slechts plaatselijk vinden we Grote ratelaar, Moerasrolklaver en Biezenknoppen.

Samenvattend kunnen we stellen dat in de Verbrande Hofstee door het verwijderen van de voedselrijke toplaag van de bodem een goede uitgangssituatie is gecreëerd voor de ontwikkeling van droge, tot weinig vochtige heide en droog schraalgrasland. De ruimte voor vochtige vegetaties is beperkt. Helaas wordt het natuurlijke beeld verstoord door soorten die hier niet thuishoren.

Grote ratelaar
Verbrande Hofstee, water

Door het terrein lopen enkele waterpartijen, die recent verder zijn uitgegraven. Ze hebben een behoorlijk verval in de richting van de Voorweg, waar ze op de wegsloot uitkomen. Om te voorkomen dat ze ´leeglopen´zijn de waterpartijen met dammetjes gestuwd. Er zijn 21 soorten hogere planten gevonden, waarvan de meeste op de oevers. Ook hier weer veel onkruiden, storingsplanten en natte pionierplanten, met soorten als Heermoes, Fioringras, Zomprus, Greppelrus en Blaartrekkende boterbloem. Echte water- en oeverplanten zijn beperkt tot Gewoon sterrenkroos en Liesgras. Verder vinden we op de oevers planten van vochtige en natte, bemeste graslanden als Smalle weegbree, Peen en Moerasrolklaver. Grote pimpernel en Wilde tijm zijn weer planten die afkomstig zijn uit het zaadmengsel en hier absoluut niet thuishoren.

Samenvattend kunnen we stellen dat de vegetatie vooral bestaat uit storingssoorten van voedselrijke omstandigheden. Door het opstuwen m.b.v. dammetjes wordt de invloed van kwelwater geëlimineerd en overheerst de invloed van regenwater, wat o.a. blijkt uit het frequente voorkomen van Pitrus. De kans om hier een gevarieerd duinrelmilieu te creëren is blijven liggen.
duinrellen

Door de centrale graslanden lopen een aantal waterlopen die het karakter van een duinrel hebben. Ze voeren, in ieder geval een belangrijk deel van het jaar, water af vanuit het duingebied in de richting van de polder. In totaal zijn in deze duinrellen 16 soorten planten gevonden, waarvan een groot deel behoort tot de planten van voedselrijke wateren en van voedselrijke oevers en moerassen. In het water groeien Klein kroos, Gewoon sterrenkroos en op enkele plaatsen Klimopwaterranonkel, de meest kenmerkende duinrelsoort in Noord-Holland. Slanke waterkers is een andere soort, die regelmatig in duinrellen wordt aangetroffen. Andere kenmerkende duinrelsoorten als Drijvend fonteinkruid, Beekpunge en Holpijp ontbreken echter. De vegetatie wordt verder gevormd door oever- en waterplanten van voedselrijke milieus als Fioringras, Veenwortel, Gewone waterbies en Rietgras.

De matige ontwikkeling van deze duinrellen komt waarschijnlijk vooral door weinig optimale inrichting met steile oevers en smalle waterlopen.

Het recent ingestelde lozing van hemelwater op het duinrellensysteem beïnvloedt de natuurwaarden en de mogelijkheden tot verdere ontwikkeling daarvan negatief.

Volgens de PNI-inventarisatie uit 1993 kwam Klimopwaterranonkel in meerdere duinrellen voor. Ook werd toen Rode waterereprijs en Blauw glidkruid gevonden. In de duinrel bij de ijsbaan groeide Grote wederik. Of deze soorten nog steeds voorkomen is niet duidelijk.

Klimopwaterranonkel en Drijvend fonteinkruid


bosje bij de ijsbaan

In dit bosje, dat uit voormalig eikenhakhout bestaat, zijn 35 soorten hogere planten gevonden. De meeste soorten behoren tot de groep van droge voedselrijke bossen en van bossen op droge, zure grond. Zomereik domineert in de kroonlaag, daaronder zijn Hulst, Wilde lijsterbes en Gewone vogelkers en Amerikaanse vogelkers belangrijke soorten. In de kruidlaag groeien o.a. Dagkoekoeksbloem, Brede stekelvaren, Bosbraam, Wilde kamperfoelie en Schaduwgras.

De laatste tijd is door de beheerder een vrij intensief beheer gevoerd, waarbij Hulst en Amerikaanse vogelkers zijn afgezet. Daarvoor in de plaats zijn o.a. Gelderse roos, Sporkenhout, Wilde kardinaalsmuts, Egelantier en Hazelaar teruggeplant. Al deze planten zijn weinig geschikt om in dit droge, zure bosje aan te planten. De eerste twee zijn typische soorten van natte bossen. Wilde kardinaalsmuts en Egelantier zijn soorten van kalkrijke duinstruwelen, die het bovendien slecht zullen doen onder een kronendak van Zomereik. Hazelaar is de enige soort die enige kans heeft om te overleven in dit bosje, hoewel ook deze soort een voorkeur heeft voor kalkhoudende bodem.

De van nature aanwezige soorten Hulst, Gewone vogelkers en Wilde lijsterbes zijn goed aangepast aan de ter plaatse aanwezige omstandigheden en vormen er een dichte ondergroei, die beschutting en broedgelegenheid kan geven aan verschillende vogels.

Hulst is de enige ´s winters groenblijvende loofboom van de Noordwesteuropese flora. In Noord-Holland is de soort zeer kenmerkend voor de strandwalbossen.

In het verleden is het bosje als hakhout gebruikt. De laatste maal dat de eiken zijn afgezet is lang geleden, waarschijnlijk in de 2e wereldoorlog.


centraal bosje

De soortensamenstelling van dit kleine bosje komt in grote lijnen overeen met die van het vorige. Ook hier is Zomereik de dominante boomsoort en zijn Hulst en Vogelkers belangrijke soorten in de struiklaag. In totaal zijn er 34 soorten hogere planten aangetroffen, waarvan een groot deel ook hier weer behoort tot de groep van droge voedselrijke bossen en van bossen op droge, zure grond. Daarnaast zijn ook planten van bosranden en struwelen goed vertegenwoordigd, vooral struweelplanten en planten van voedselrijke zomen. Opvallend zijn enkele stinzenplanten, waaronder de Wilde hyacint. Waarschijnlijk zijn in het vroege voorjaar nog meer stinzenplanten te vinden. Bekend is in ieder geval dat de tuinen van de huizen, die tot het eigendom van de Stichting behoren, dan vol staan met Boerenkrokus.

Het bosje is gemiddeld voedselrijker dan het andere bosje en dat komt omdat hier in het verleden afval en tuinvuil gestort is. Plaatselijk ligt dit afval aan de oppervlakte.

Net als bij het andere bosje is ook hier de Hulst bij de grond afgezet omdat ze te dicht en te wild waren uitgegroeid. Ook is er een vergelijkbaar assortiment struiken aangeplant.


2.5. Overige natuurwaarden
Over het voorkomen van zoogdieren en amfibieën in het gebied is weinig bekend.

Haas, Konijn en Mol (p.m. vragen Louwra)

broedvogels (p.m. PIN/archief)

Helaas liggen er op de terreinen geen monsterpunten van het Hoogheemraadschap voor waterkwaliteit en macrofauna.




3. Ontwikkelingsmogelijkheden voor natuur
bosje bij de ijsbaan

Het bosje bij de ijsbaan kan weer in hakhoutbeheer genomen worden. Door hakhoutbeheer ontstaan dichte, structuurrijke bosjes. Het regelmatig kappen heeft bovendien een gunstig effect op zowel flora als fauna. Veel planten profiteren van het invallende licht, waardoor bloeiende tapijten kunnen ontstaat met o.a. Sneeuwklokje, Fluitenkruid en Dagkoekoeksbloem. Dit effect is het sterkst in het tweede en derde jaar na het kappen. Voor fauna geldt iets dergelijks. Met name rond het derde jaar na het kappen blijken veel dieren, waaronder verschillende knaagdieren en insecten, zich in het hakhout op te houden. Wordt het hakhout ouder dan neemt het aantal soorten weer af. Door het hakhout gefaseerd af te zetten, bijvoorbeeld elke 3 jaar 20%, zijn steeds alle stadia aanwezig. Het hakhout krijgt dan een omlooptijd van 15 jaar, wat voor eikenhakhout een goede cyclus is. In verband met de lichttoetreding wordt de eerste keer de zuidelijke rand van het bosje afgezet. De bomen worden op 40 à 50 cm. afgezet. Met uitzondering van de meidoorns worden ook alle struiken bij de grond afgezet. Bij het uitgroeien van het hakhout is de kans groot dat ook de Hulst sterk zal uitgroeien. Hulst is een kenmerkende soort voor (hakhout)bos in de binnenduinrand en zal daarom niet worden bestreden of tussentijds afgezet worden.

pas afgezet hakhout
centraal bosje

Dit bosje is sterk beïnvloed door het storten van tuinvuil en ander afval. Verder zijn er verschillende struiken en stinzenplanten aangeplant. Omvorming naar een meer natuurlijke voedselarme situatie, waarbij alle afval zou moeten worden afgegraven, is zeer ingrijpend.

Wellicht is het daarom beter uit te gaan van de huidige situatie en de ontwikkeling te richten op een stinzenmilieu. Tuinen en parkbossen van landgoederen werden vroeger intensief beheerd. Dit beheer kenmerkte zich door een verrijking van het milieu met organische stof. Vaak werd bladafval opgeruimd en gecomposteerd met paardenmest. De compost werd vervolgens weer in het bos verspreid. Op die wijze ontstond een voedselrijk milieu, waarin stinzenplanten zich goed thuisvoelen.

In het centrale bosje kunnen we de ontwikkeling naar een stinzenmilieu stimuleren door de aanplant van stinzenplanten als Knikkende vogelmelk, Bosanemoon, Daslook, Holwortel, Vinger-helmbloem en Gevlekte aronskelk. Verder dient een overmaat aan struiken (Hulst e.d.) te worden tegengegaan door deze regelmatig af te zetten. Periodiek (eens per 5 jaar) kan een lichte bemesting met gecomposteerd tuinafval plaatsvinden.

Het vaste afval dat aan de oppervlakte ligt dient te worden afgevoerd.

Knikkende vogelmelk


IJsbaan

Op de ijsbaan komen nu al fragmentarisch vegetaties voor die verwant zijn aan het Dwergbiezen-verbond. Bij een optimale ontwikkeling komen in dit vegetatietype een groot aantal miniatuurplantjes voor, waarvan de meeste op de Rode lijst voor zeldzame en bedreigde planten staat. Het gaat om soorten als Borstelbies, Dwergzegge, Dwergvlas, Dwergbloem, Dwergrus.

In een nattere situatie kunnen in deze omgeving ook vegetaties tot ontwikkeling komen die behoren tot het Oeverkruid-verbond, waarin soorten voorkomen als Oeverkruid, Ongelijkbladig fonteinkruid, Waterpunge, Stijve moerasweegbree, Ondergedoken moerascherm, Veelstengelige waterbies en Dwergzegge.

Oeverkruid


Er liggen goede kansen om deze vegetatiekundig en floristisch zeer waardevolle vegetatietypen op de ijsbaan verder te ontwikkelen.

In de eerste plaats is het van belang dat de humusrijke toplaag van de bodem (geheel of gedeeltelijk) wordt afgegraven en afgevoerd. Hierdoor komt de minerale bodem aan de oppervlakte, waarmee een kansrijke uitgangssituatie ontstaat. Op plaatsen die wat dieper worden afgegraven en dus een groot deel van het jaar onder water staan kunnen zich ‘Oeverkruidvegetaties’ vestigen. Op plaatsen waar alleen afgeplagd wordt ‘Dwergbiezenvegetaties’.

Een andere belangrijke factor is het waterbeheer, zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit. Het gebruik als ijsbaan is goed te combineren. De genoemde vegetaties ontwikkelen zich vooral op locaties die ’s winters lange tijd onder water staan en ’s zomers droogvallen.

Dwergrus
Verder is het van belang dat het (grond)water basenrijk en voedselarm is. Het kwelwater ter plaatse is dat waarschijnlijk wel. Voor het duinrelwater, waarmee de ijsbaan ’s winters onder water gezet wordt, is dat niet duidelijk. Dit water wordt mogelijk beïnvloed door huishoudelijke lozingen, wat tot eutrofiering leidt en door lozing van hemelwater, wat tot verzuring en eutrofiering kan leiden. De nieuwe lozing van hemelwater vanaf de Schoorlse parkeerplaats op het duinrelsysteem verdient hierbij ook aandacht. Ten slotte is er niets bekend over de kwaliteit van het water, dat opgepompt wordt om de ijsbaan bij watertekorten aan te vullen. Als dit uit een dieper watervoerend pakket komt is de kans groot dat dit water basenrijk en van goede kwaliteit is.

Een uitgebreider hydrologisch onderzoek valt buiten het bestek van deze quickscan. Het zal wel deel uit moeten maken van een nader uit te werken inrichtingsplan voor de ijsbaan. De potenties van dit gebied zijn zo uniek dat een dergelijke uitwerking zeer de moeite waard zal zijn.

Na inrichting zou het beheer kunnen bestaan uit hooien met nabeweiding, of uit relatief extensief beweidingsbeheer. De huidige beweidingsintensiteit is te hoog.


Centraal grasland

Dit gebied ligt in de zone waar basenrijk grondwater voorkomt. Door de aanwezigheid van een humus- en voedselrijke toplaag van de bodem en doordat het grondwater iets te diep zit komen de hoge potenties die bij deze abiotische omstandigheden horen momenteel niet tot uiting.

Als de ca. 20 cm dikke humusrijke toplaag wordt afgegraven, wordt het terrein niet alleen vochtiger en voedselarmer, maar komt het maaiveld ook onder invloed van het basenrijke grondwater. Na inrichting kan hier een typisch ‘duinzoomgrasland’ tot ontwikkeling komen met vegetaties die behoren tot het Dotter-verbond en het Verbond van Biezenknoppen en Pijpestrootje, aangevuld met soorten die kenmerkend zijn voor vochtige duinvalleien. Te verwachten soorten zijn o.a. Brede orchis, Rietorchis, Gewone dotterbloem, Gevleugeld hertshooi, Geelhartje, Echte koekoeksbloem, Zeegroene zegge, Blauwe zegge en Hazenzegge. Bij een optimale ontwikkeling kunnen daar nog soorten bij komen als Bevertjes, Harlekijn, Vlozegge, Spaanse ruiter en Blauwe knoop.

Het duinzoomgrasland wordt na inrichting ontwikkeld door hooilandbeheer, eventueel gecombineerd met lichte nabeweiding.

Knelpunt is dat de ontwikkeling van duinzoomgrasland slecht te combineren is met gebruik voor het concours hippique.
Kerkeland

Doordat het Kerkeland een grote archeologische waarde heeft ligt het niet voor de hand om hier af te gaan plaggen. De ontwikkeling kan hier beter gericht worden op de ontwikkeling van een droog schraal graslandtype, met soorten als Fijn schapengras, Gewoon struisgras, Gewoon biggenkruid, Gewoon duizendblad etc. Deze ontwikkeling kan worden bereikt door een beheer van maaien en afvoeren en/of door een relatief extensief begrazingsbeheer, met runderen of schapen.

orchideerijk duinzoomgrasland
Verbrande hofstee, grasland

Hoewel herinrichting van dit vrij recent gereedgekomen gebied niet voor de hand ligt, willen we toch een enkele suggestie doen. Het grasland is vrij ondiep afgeplagd, waardoor het nu net niet onder invloed het grondwater valt. Hierdoor ontwikkelt zich nu een vrij soortenarm droog schraalgrasland, waarin slechts enkele soorten domineren. Door een deel van het grasland 10 tot 20 cm dieper af te graven zal de variatie in plantensoorten en vegetatietypen enorm toenemen.


Verbrande hofstee, water

Door het opstuwen staat er nu water in de ´rellen´, dat echter de kwaliteit van regenwater heeft. Dit leidt helaas tot geringe natuurkwaliteit. Beter is het om de dammen te verwijderen en het water onder geleidelijk verval in de richting van de Voorweg af te laten stromen. Er is dan een goede kans op de ontwikkeling van een kenmerkend duinrelmilieu.


Duinrellen

Duinrellen hebben een zeer kenmerkende flora en fauna met planten als Beekpunge, Holpijp, Klimopwaterranonkel, Drijvend fonteinkruid en Haarfonteinkruid. Langs de oever groeit Waterpostelein, Moerasmuur en Wilde bertram. Onder de dieren vinden we kenmerkende soorten kokerjuffers, waterkevers, wantsen, vlokreeftjes, watermijten en libellen, waaronder de Beekloper. Verschillende amfibieënsoorten planten zich in duinrellen voort, waaronder de Kleine watersalamander en de Rugstreeppad.

Rugstreeppad

Bijzonder waardevol zijn duinrellen die een breed stroombed hebben. Binnen zo’n stroombed slijt het afstromende water een ‘diepere geul’ uit, waarbij net als bij grote beken en rivieren ‘meanders’ kunnen onstaan. Juist door het meanderen hebben deze beekjes een grote ecologische waarde. In de buitenbochten stroomt het water snel en in de binnenbochten juist langzaam. Hierdoor kunnen aan stromend water gebonden plant- en diersoorten de voor hun geschikte plek opzoeken.

Het Hargergat, een goed voorbeeld van een meanderende duinrel
Op de terreinen liggen al een aantal duinrellen waarvan de ecologische waarde door een betere inrichting belangrijk kan toenemen. Door de rellen te verbreden en ondiep te maken kunnen meanderende stroompjes binnen het stroombed ontstaan. Als de oevers glooiend worden afgegraven kan zich hier een gevarieerde oevervegetatie vestigen.

Knelpunt is de al eerder genoemde lozing van hemelwater op het rellensysteem. Een oplossing zou kunnen zijn het hemelwater eerst in een voorraadbekken op te vangen, waarna het geleidelijk op het duinrelsysteem kan lozen. Grote fluctuaties in waterkwaltiteit worden daarmee vermeden. Een tweede oplossing is het hemelwater via een lange duiker landinwaarts te leiden en daar benedenstrooms te lozen. Ook zou het water via één van de voormalige greppels naar de duinrel kunnen worden geleid die afwatert op de duiker aan de Voorweg. Nadere uitwerking moet buiten het bestek van deze Quickscan plaatsvinden.


Naast verbetering van de bestaande duinrellen kunnen ook nieuwe duinrellen worden aangelegd. Langs de Voorweg kan de eertijds gedempte duinrel opnieuw worden uitgegraven. Ook één of meerdere gedempte greppels kunnen opnieuw worden uitgraven tot duinrel of tot ‘duinwatervoerende greppel’.

4. Ontwikkelingsmogelijkheden landschap en cultuur
In de doelstellingen van de Stichting is behoud van landschappelijke en cultuurhistorische waarde een belangrijk item. De eigendommen zijn de afgelopen eeuw nauwelijks in aanzien veranderd. Het open weidegebied in het hart van het dorp Schoorl bepaald in hoge mate het landelijke karakter van het dorp. Behoud van dit beeld staat voorop.
Met de voorstellen voor herinvoering van hakhoutbeheer en het opnieuw uitgraven van duinrellen en ‘duinwatervoerende greppels’ worden een aantal cultuurhistorische elementen hersteld. Het aanbrengen van microreliëf nat afplaggen en de ontwikkeling van schraallandvegetaties versterken het (cultuur)historische beeld

5. Samenvatting ontwikkelingsmogelijkheden
Er zijn talrijke mogelijkheden voor de ontwikkeling van natuur en landschap op de terreinen van de Stichting Jelgersma van der Hoop. Vooral de mogelijkheden voor de ontwikkeling van natuur die kenmerkend is voor het duinzoomgebied zijn zeer groot.

In figuur 4 zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor natuur en landschap weergegeven. De mogelijkheden moeten (geheel of gedeeltelijk) nader worden uitgewerkt in een inrichting- en beheerplan.




6. Globale kostenraming uitvoering
In deze quickscan zijn mogelijkheden voor de ontwikkeling van natuur en landschap voor het hele terrein geformuleerd. In deze paragraaf worden de globale kosten voor uitvoering van het complete pakket geraamd. Vanzelfsprekend kan er ook voor gekozen worden slechts een deel van de voorgestelde maatregelen uit te voeren, wat tot lagere kosten zal leiden. In dat geval zullen ook de algemene kosten als leges, opstellen bestek en directie-voering navenant dalen.
Opstellen bestek (onderhandse aanbesteding) € 3500.-
Leges vergunningen, bodemonderzoek etc. € 5000.-
Afplaggen ijsbaan gem. 0.15 m = 3300 m3 € 13200.-
Afplaggen centraal grasland gem. 0.20 m = 8400 m3 € 33600.-
Afplaggen huiskavel gem. 0.20 m = 2000 m3 € 8000.-
Uitgraven nieuwe duinrel langs de Laanweg 600 m3 € 2400.-
Uitgraven 3 duinwatervoerende greppels 1200 m3 € 4800.-
Invoeren hakhoutbeheer (1e vijf jaar) € 3500.-
Omvormen stinzenbosje € 2000.-
Vervangen hekwerk, dammen, duikers etc. (stelpost) € 2500.-
Directievoering, begeleiding uitvoering € 4500.-
p.m. Herinrichting Verbrande Hofstee
onvoorzien 10% € 8250.-

__________


totaal, prijspeil 2007, incl. btw € 90750.-




Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina