2275e zitting van de Raad, in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders santa Maria da Feira, 19 juni 2000 en 2274e en 2277e zitting van de Raad ecofin santa Maria da Feira, 18-20 juni 2000



Dovnload 68.24 Kb.
Datum28.04.2018
Grootte68.24 Kb.

Conseil/00/215
Santa Maria da Feira, 18-20 juni 2000
9416/00 (Presse 215)


2275e zitting van de Raad, in de samenstelling van
- STAATSHOOFDEN EN REGERINGSLEIDERS -
Santa Maria da Feira, 19 juni 2000
en
2274e en 2277e zitting van de Raad
- ECOFIN -
Santa Maria da Feira, 18-20 juni 2000

Voorzitters: de heer António GUTERRES

Minister-president van de Portugese Republiek
de heer Joaquim PINA MOURA

Minister van Financiën en Economische Zaken van de Portugese Republiek



INHOUD

DEELNEMERS 3

BESPROKEN PUNTEN

GRIEKENLAND: AANNEMING VAN DE EURO 5

GLOBALE RICHTSNOEREN VOOR HET ECONOMISCH BELEID VOOR 2000 5

BELASTINGPAKKET 6

VERZOEK VAN DE GRIEKSE REGERING OM INTREKKING VAN DE DEROGATIE EN AANNEMING VAN DE EURO PER 1 JANUARI 2001 7

BIJLAGE II 8

VERSLAG VAN DE RAAD ECOFIN OVER GRIEKENLAND, GERICHT AAN DE RAAD IN DE SAMENSTELLING VAN DE STAATSHOOFDEN EN REGERINGSLEIDERS 8



_________________

Voor meer informatie: tel. 285.84.15, 285.81.11

DEELNEMERS



De regeringen van de lidstaten en de Europese Commissie waren als volgt vertegenwoordigd 1:

België:




de heer Guy VERHOFSTADT

eerste minister

de heer Didier REYNDERS

minister van Financiën

Denemarken:




de heer Poul NYRUP RASMUSSEN

minister-president

mevrouw Marianne JELVED

minister van Economische Zaken

de heer Michael DITHMER

staatssecretaris van Economische Zaken

Duitsland:




de heer Gerhard SCHROEDER

bondskanselier

de heer Hans EICHEL

minister van Financiën

de heer Caio KOCH-WESER

staatssecretaris, ministerie van Financiën

Griekenland:




de heer Konstantinos SIMITIS

minister-president

de heer Yannos PAPANTONIOU

minister van Nationale Economie en Financiën

Spanje:




de heer José Maria AZNAR

minister-president

de heer Rodrigo de RATO y FIGAREDO

tweede vice-minister-president en minister van Economische Zaken en Financiën

de heer Enrique GIMENEZ-REYNA

staatsecretaris van Financiën

Frankrijk:




de heer Jacques CHIRAC

president van de Republiek

de heer Lionel JOSPIN

minister-president

de heer Laurent FABIUS

minister van Economische Zaken, Financiën en Industrie

Ierland:




de heer Bertie AHERN

minister-president (Taoiseach)

de heer Charlie McCREEVY

minister van Financiën

Italië:




de heer Giuliano AMATO

minister-president

de heer Vincenzo VISCO

minister van de Schatkist, van Begroting en van Economische Planning

de heer Ottaviano DEL TURCO

minister van Financiën

Luxemburg:




de heer Jean-Claude JUNCKER

minister-president, minister van staat, minister van Financiën

de heer Luc FRIEDEN

minister van de Schatkist en van Begroting

de heer Henri GRETHEN

minister van Economische Zaken

Nederland:




de heer Wim KOK

minister-president

de heer Gerrit ZALM

minister van Financiën

de heer Wouter BOS

staatssecretaris van Financiën

Oostenrijk:




de heer Wolfgang SCHÜSSEL

bondskanselier

de heer Karl-Heinz GRASSER

minister van Financiën




Portugal:




de heer António GUTERRES

minister-president

de heer Joaquim PINA MOURA

minister van Financiën en Economische Zaken

de heer António NOGUEIRA LEITE

staatssecretaris van de Schatkist en van Financiën

de heer Manuel BAGANHA

staatssecretaris van Fiscale Zaken

Finland:




mevrouw Tarja HALONEN

president van de Republiek

de heer Sauli NIINISTÖ

vice-minister-president en minister van Financiën

Zweden:




de heer Göran PERSSON

minister-president

de heer Bosse RINGHOLM

minister van Financiën

Verenigd Koninkrijk:




de heer Tony BLAIR

minister-president

de heer Gordon BROWN

minister van Financiën (Chancellor of the Exchequer)




Commissie:




de heer Romano PRODI

voorzitter

de heer Pedro SOLBES

lid

de heer Frits BOLKESTEIN

lid




Overige deelnemers:




de heer Wim DUISENBERG

president van de Europese Centrale Bank

GRIEKENLAND: AANNEMING VAN DE EURO
Naar aanleiding van het formele verzoek van Griekenland van 9 maart 2000 1 bevestigde de Raad, in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders, tijdens zijn overeenkomstig artikel 122, lid 2, van het Verdrag gehouden bespreking, op basis van een verslag van de Raad ECOFIN 2, dat:


  • Griekenland voldoet aan de in artikel 121, lid 1, van het Verdrag opgesomde convergentie­criteria;

  • het dienstig is dat de Raad de derogatie voor Griekenland intrekt, zodat de euro per 1 januari 2001 als enige munt in Griekenland kan worden ingevoerd.

Aangezien aldus aan alle formele en inhoudelijke eisen van het Verdrag was voldaan, nam de Raad ECOFIN vervolgens de beschikking, overeenkomstig artikel 122, lid 2, van het Verdrag, betreffende de aanneming van één munt door Griekenland op 1 januari 2001 aan.


Voorts nam de Raad - met eenparigheid van stemmen van de lidstaten zonder derogatie en de betrokken lidstaat - de verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2866/98 aan, zodat de omrekeningskoers tussen de Griekse drachme en de euro per 1 januari 2001 als volgt is:
1 euro = 340,750 Griekse drachme

(deze koers stemt overeen met de huidige spilkoers).


Met betrekking tot de vaststelling van de omrekeningskoers tussen de Griekse drachme en de euro door de Raad hebben de Europese Centrale Bank en de Bank van Griekenland het volgende communiqué gepubliceerd:
"Nu de Raad op 19 juni 2000 via een wijziging van Verordening (EG) nr. 2866/98, die op 1 januari 2001 van kracht zal worden, de omrekeningskoers tussen de Griekse drachme en de euro heeft bepaald, zullen de Europese Centrale Bank en de Bank van Griekenland erop toezien dat de marktwisselkoers tussen de Griekse drachme en de euro naar de euro-omrekeningskoers convergeert, hetgeen ten laatste op 29 december 2000 een feit moet zijn.".
Tot slot bereikte de Raad, onder voorbehoud van bespreking van de adviezen van het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank, een politiek akkoord over de inhoud van twee voorstellen tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1103/97 en (EG) nr. 974/98 betreffende het juridisch kader van de euro.

GLOBALE RICHTSNOEREN VOOR HET ECONOMISCH BELEID VOOR 2000


Na het politieke fiat van de Europese Raad van Feira nam de Raad ECOFIN formeel de aanbeveling betreffende de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeen­schap aan.
Hieronder volgen, kort samengevat, enkele van de belangrijkste punten van de GREB's 3:
- in de Unie valt een steeds krachtiger en algemener economisch herstel waar te nemen. Dit proces is het gevolg van gunstige ontwikkelingen in de wereldeconomie en wordt ondersteund door de euro, een gezond macro-economisch beleid en structurele beleidsmaatregelen van de lidstaten;

- de globale richtsnoeren voor het economisch beleid voor 2000 geven operationele inhoud aan de conclusies van de Europese Raad van Lissabon, omdat zij vooral gericht zijn op structureel beleid en structurele hervormingen, zulks om ervoor te zorgen dat het huidige economisch herstel zich ontwikkelt tot een duurzaam groeiproces dat werkgelegenheid en sociale samen­hang bevordert. Door actief de overgang naar een op kennis gebaseerde economie te bevorderen, zullen ten volle de kansen kunnen worden benut die worden geboden door de mondialisering en de nieuwe technologieën. Er zijn structurele maatregelen nodig om te zorgen voor efficiënt werkende productmarkten, om de kapitaalmarkten door verdere integratie en verdieping te bevorderen, om de arbeidsmarkten te activeren en om duurzame ontwikkeling te versterken;


- de richtsnoeren voor het macro-economisch beleid bouwen voort op de strategie die reeds de grondslagen heeft helpen leggen voor gezonde groei en gunstige vooruitzichten in de euro­zone en in de EU, en breiden haar nog verder uit. Deze strategie behelst een monetair beleid dat gericht is op prijsstabiliteit en aanhoudende inspanningen door de lidstaten om de huidige begrotingsconsolidatie te versnellen en een begrotingsevenwicht of ‑overschot te bereiken en te behouden en de overheidsschuld terug te dringen. Dit betekent in de meeste gevallen, profiteren van budgettaire verbeteringen die te danken zijn aan de beter dan verwachte economische groei, teneinde een begrotingssituatie te bereiken die beter is dan de doel­stellingen van de geactualiseerde stabiliteits- en convergentieprogramma’s. De richtsnoeren bevelen aan dat de sociale partners een loonontwikkeling blijven steunen die verenigbaar is met prijsstabiliteit en het creëren van werkgelegenheid;
- in de richtsnoeren wordt grote prioriteit gegeven aan het verbeteren van de kwaliteit van de overheidsfinanciën en het verzekeren van de houdbaarheid op lange termijn van de openbare financiën. Om dit doel te bereiken, dienen de overheidsuitgaven te worden geheroriënteerd in de richting van een groter aandeel voor kapitaalsvermeerdering ‑ in zowel fysiek als menselijk opzicht ‑ en steun voor O&O en innovatie. Er moet ook iets worden gedaan ‑ zonder evenwel dit proces van begrotingsconsolidatie in gevaar te brengen ‑ om de belastingdruk te verlichten, vooral die op relatief ongeschoolde en laag betaalde arbeid, en om het fiscaal en uitkerings­stelsel te hervormen teneinde de werkgelegenheids- en opleidingsstimulansen te verbeteren.
De globale richtsnoeren voor het economisch beleid bevatten ook richtsnoeren voor ieder land afzonderlijk, die rekening houden met de verschillen tussen de lidstaten wat betreft economische resultaten en vooruitzichten, alsook structuren en instellingen. Deze specifieke richtsnoeren vullen, voorzover zij arbeidsmarktaangelegenheden betreffen, de werkgelegenheidsrichtsnoeren voor 2000 aan en ondersteunen de uitvoering van de herziene nationale actieplannen.
Om ervoor te zorgen dat de Raad ECOFIN voortaan tijdig gebruik kan maken van de bijdragen van andere Raadssamenstellingen, en om de Europese Raad in staat te stellen zijn jaarlijkse voorjaars­bijeenkomst daadwerkelijk politiek te oriënteren, wordt de organisatie van de opstelling van de globale richt­snoeren voor het economisch beleid gewijzigd.
BELASTINGPAKKET
De Raad legde de laatste hand aan zijn verslag aan de Europese Raad over het belastingpakket, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Helsinki dat een Groep op hoog niveau een verslag aan de Raad zou voorleggen met mogelijke oplossingen voor de over inkomsten uit spaargelden verschuldigde belasting, alsmede voor de gedragscode en de richtlijn inzake betalingen van interest en royalty's als één pakket.

De Europese Raad hechtte vervolgens zijn goedkeuring aan het verslag, de verklaringen voor de Raadsnotulen en het akkoord over de beginselen en richtsnoeren. Het verslag legt een tijdschema vast dat voorziet in een geleidelijke ontwikkeling van de uitwisseling van informatie als de grond­slag voor de belasting over inkomsten uit spaargelden van niet-ingezetenen, teneinde uiterlijk 31 december 2002 een akkoord te bereiken over de aanneming van de richtlijn en de uitvoering ervan.


BIJLAGE I
VERZOEK VAN DE GRIEKSE REGERING OM INTREKKING VAN DE DEROGATIE EN AANNEMING VAN DE EURO PER 1 JANUARI 2001
Na langdurige, moeizame inspanningen kent de Griekse economie thans een gestage groei en ontwikkeling.
Op geharmoniseerde basis berekend beloopt de inflatie ongeveer 2%. De langetermijnrente wijkt slechts zeer weinig - minder dan 100 basispunten - af van de overeenkomstige rentevoeten in de lidstaten binnen de eurozone. Het tekort van de centrale overheid bedraagt iets minder dan door het verdrag toegestaan, terwijl de schuld uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product de afgelopen jaren gestaag is gedaald. Binnen een week is het twee jaar geleden dat de drachme is opgenomen in het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel.
Daarnaast heeft de Griekse economie aanzienlijke vooruitgang geboekt op het stuk van daad­werkelijke convergentie. In de afgelopen jaren is het BBP sneller gegroeid dan gemiddeld in de Europese Unie. De consolidering van de voorwaarden voor economische stabiliteit, het bevorderen van structurele veranderingen en de financiële ruggensteun van de communautaire bijstandskaders waren in dit proces belangrijke factoren. Voorts werd het economisch beleid gekenmerkt door consistentie, stabiliteit, geloofwaardigheid en het nastreven van sociale rechtvaardigheid, waardoor een vertrouwensklimaat tot stand is gekomen dat zowel de markten als de arbeidsrelaties gunstig beïnvloedt.
In de afgelopen paar jaren zijn de structurele veranderingen steeds sneller gegaan. De meeste, zo niet alle overheidsondernemingen, alsmede de banken die onder overheidstoezicht staan, zijn toe­gelaten tot de effectenbeurs. De liberalisering van de markten verloopt in alle sectoren bevredigend en er zijn omvangrijke maatregelen genomen om het ondernemerschap te stimuleren. De belasting­tarieven zijn verlaagd, de arbeidsmarkt is flexibeler geworden terwijl tegelijkertijd een krachtig werkgelegenheidsbeleid is gevoerd dat gericht was op het vergroten van de vaardigheden van de beroepsbevolking. Naar verwachting zal de verdere versterking en nadere uitwerking van dit beleid, in combinatie met het verdwijnen van het tekort bij de centrale overheid of zelfs het bereiken van een overschot, overeenkomstig de ramingen van het geactualiseerd convergentieprogramma, een doorslaggevende bijdrage leveren tot een duurzaam laag inflatieniveau.
Het volk van Griekenland en zijn regering verlangen dat Griekenland volwaardig deelneemt aan de Economische en Monetaire Unie, en, meer in het algemeen, aan de vormgeving van het gemeen­schappelijk beleid dat nodig is om de voorwaarden te scheppen voor ontwikkeling en welvaart in de Europese Unie.
Op basis van het bovenstaande moge ik uw diensten in overweging geven zich te buigen over het Griekse verzoek tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad op 19 en 20 juni te Feira, Portugal, een besluit te nemen over de intrekking van de derogatie en de aanneming van de euro in de Griekse economie per 1 januari 2001 overeenkomstig artikel 122, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

BIJLAGE II


VERSLAG VAN DE RAAD ECOFIN OVER GRIEKENLAND, GERICHT AAN DE RAAD IN DE SAMENSTELLING VAN DE STAATSHOOFDEN EN REGERINGSLEIDERS
De in artikel 122, lid 2, van het Verdrag bepaalde procedures voor de intrekking van de derogaties met betrekking tot de aanneming van de euro worden om de twee jaar of op verzoek van een lidstaat met een derogatie ingeleid. Twee jaar zijn verstreken sinds de eerste convergentieverslagen die hebben geleid tot de aanneming van de euro door 11 lidstaten; op 9 maart 2000 heeft Griekenland formeel verzocht om een nieuw onderzoek van de convergentiesituatie van de Griekse economie met het oog op deelneming aan de eurozone vanaf 1 januari 2001.
De Commissie heeft derhalve een convergentieverslag d.d. 3 mei over Griekenland (en Zweden) goedgekeurd en bekendgemaakt; de ECB heeft haar eigen convergentieverslag op 27 april goed­gekeurd. (De convergentiesituatie van Denemarken en het Verenigd Koninkrijk wordt in de twee verslagen niet geëvalueerd, omdat voornoemde lidstaten ervoor gekozen hebben niet aan de euro­zone deel te nemen).
Volgens de convergentieverslagen van 1998 voldeed Griekenland aan geen van de vier convergen­tiecriteria. Sedertdien heeft Griekenland een indrukwekkende vooruitgang op convergentiegebied geboekt. Het algemene begrotingstekort van de overheid beliep 1,6% van het BBP in 1999; de schuldquote van de overheid is gedaald tot 104,4% van het BBP in 1999. In december 1999 heeft de Raad ECOFIN zijn beschikking betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Griekenland ingetrokken. Er wordt verder gewerkt aan de begrotingsconsolidatie. Voorts is reeds een aan­zienlijke vooruitgang geboekt op het gebied van de inflatie, op basis van lopende, op stabiliteit gerichte beleidsmaatregelen. Het inflatiecijfer over de termijn van 12 maanden tot maart 2000 bedroeg 2,0% en lag daarmee onder de referentiewaarde van 2,4%. De Griekse drachme heeft vanaf maart 1998 deelgenomen aan het WKM, en neemt sinds januari 1999 deel aan het WKM II; tijdens deze periode hebben zich geen ernstige spanningen voorgedaan, wat betekent dat de drachme voldoet aan het wisselkoerscriterium. Als teken van de sterkte van de munt werd de spilkoers van de drachme op 15 januari 2000 met 3,5% gerevalueerd. Griekenland voldoet tevens aan het criterium inzake de langetermijnrente. Tot slot is ook de nationale wetgeving van Griekenland, met inbegrip van de statuten van de nationale centrale bank, verenigbaar met het Verdrag.
Het verslag van de Commissie concludeert, in het licht van de beoordeling of aan de convergentie­criteria wordt voldaan, dat Griekenland een hoge mate van duurzame convergentie heeft bereikt. De Commissie stelt derhalve voor om de derogatie van Griekenland met ingang van 1 januari 2001 in te trekken. De Raad ECOFIN wordt verzocht om, na raadpleging van het Europees Parlement en na bespreking in de Raad in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders, een beslissing te nemen over het voorstel van de Commissie.
De Raad ECOFIN heeft de convergentieverslagen van de Commissie en van de ECB bestudeerd en is van oordeel dat Griekenland voldoet aan de noodzakelijke voorwaarden voor de aanneming van de euro. De Raad is ingenomen met het Commissievoorstel om de derogatie van Griekenland in te trekken. De Raad heeft tevens nota genomen van het gunstige advies van het Europese Parlement d.d. 18 mei 2000 over het Commissievoorstel.
De Raad ECOFIN is van oordeel dat na een positieve beslissing over de intrekking van de derogatie de wisselkoers van de drachme ten opzichte van de euro onherroepelijk op de huidige spilkoers moet worden vastgelegd.

Het overdragen van het monetaire en het wisselkoersbeleid aan het ESCB vormt een grote uitdaging voor de Griekse beleidsbepalers op economisch en financieel gebied. Zij zullen in de toekomst moeten afrekenen met mogelijke interne onevenwichtigheden zonder daarbij te kunnen terugvallen op monetaire en wisselkoersmaatregelen, die thans door de omstandigheden in de eurozone als geheel worden bepaald. Gelet op het gezonde economische en financiële beleid dat recentelijk werd gevoerd, is de Raad er evenwel van overtuigd dat Griekenland ten volle de vruchten van zijn deel­neming aan de eurozone zal kunnen plukken en tegelijk de binnenlandse stabiliteit zal kunnen handhaven. Op korte termijn zal evenwel nauwlettend moeten worden toegezien op de convergentie van de monetaire condities in de aanloop naar de EMU. Op middellange en lange termijn moet een op stabiliteit gericht beleid worden geschraagd door loonontwikkelingen die sporen met de groei van de productiviteit, alsmede door structurele hervormingen die gericht zijn op versterking van de duurzaamheid van de convergentie en het opvoeren van het productiepotentieel en de prestaties van de economie.



1 Staatshoofden en regeringsleiders alleen voor de 2275e zitting van de Raad; Ecofin-bewindslieden voor de 2275e, de 2274e en de 2277e zitting van de Raad.

1 Zie bijlage I.

2 Zie bijlage II.

3 Het secretariaat-generaal van de Raad heeft een brochure met de volledige tekst van de GREB's gepubliceerd.



Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina