2. Stadia in de tweede taalverwerving



Dovnload 19.4 Kb.
Datum11.06.2018
Grootte19.4 Kb.

2. Stadia in de tweede taalverwerving

In het leren beheersen van de Nederlandse taal door NT2 kinderen kunnen enkele stadia onderscheiden worden:



Stadium 1: De gewenningsfase

In dit stadium leert de leerling wennen aan de (Nederlandse) school en aan de klanken van de Nederlandse taal. De leerling moet de kans krijgen zich veilig en beschermd te voelen, zodat hij kan openstaan voor alles wat op hem afkomt. Bekend worden met de regels in de klas en de gang van zaken op school; weten waar alles ligt in de klas en hoe de materialen werken kunnen bijdragen aan dat gevoel van veiligheid. In dit stadium hoort een zogenaamde stille periode, waarin het kind weinig of niets zegt. Het heeft deze periode nodig om te wennen aan de taal en die in zich op te nemen. Deze periode kan korter of langer duren.


De volgende signalen geven aan dat het kind gaat wennen aan de school.

Signalen voor aangepast gedrag:



  • Kijkt met belangstelling naar wat andere kinderen doen

  • Gezichtsuitdrukking verraadt, dat het met anderen meeleeft

  • Doet wat andere kinderen doen, eventueel nog op zichzelf

  • Praat in zichzelf in eerste taal ter begeleiding van activiteiten

  • Accepteert routines en regels van de groep, volgt voorbeeld van andere kinderen op. Bv. bij opruimen, naar buiten gaan, etc.

Signalen voor ontvankelijkheid voor tweede taal:



  • Gebruikt gebaren tegen leerkracht

  • Begint te reageren op eenvoudige aanwijzingen in het Nederlands “kom eens hier”, “ga eens zitten”

  • Zegt woorden na als “Goedemorgen” “Hallo” “Nee” “Ja” “Dank je wel”

  • Begint “nee” te zeggen om zich te verweren



Stadium 2: De redzaamheidfase

Deze fase stelt nieuwe taalbehoeften bij het kind. Van passief luisteraar wordt het kind nu iemand die zelf ook contacten wil leggen. Het kind heeft nu taal nodig om zichzelf te redden in de situaties van de groep. Het moet kunnen vragen om dingen die het nodig heeft. Het moet weten hoe je via taal aandacht van anderen krijgt. Voor al deze doeleinden zal het kind een minimum aan woordenschat en taalvormen moeten hebben. De passieve taalkennis is groeiende, maar er is nog moeite met productief taalgebruik.


Signalen voor redzaamheidstaal:



Stadium 3: De omgangstaal

“Je kunt je redden” is wat anders dan “kunnen meedoen en meespelen”. Meedoen vraagt, dat de leerling zelf een bijdrage kan leveren tot het gebeuren en het gesprek daarover. Daarvoor moet je kunnen inspelen op de situatie en kunnen reageren op nieuwe ontwikkelingen in de spel- of leersituatie.

Signalen voor omgangstaal:


  • Kan activiteiten van zichzelf en anderen benoemen

  • Kan plaatsaanduidingen in handelingen beschrijven

  • Kan activiteiten van andere kinderen sturen en reageren op aanwijzingen van andere kinderen

  • Kan voorkeur en afkeur uitdrukken

  • Kan vooruitlopen op eigen of andermans handelingen

  • Kan praten over dingen die in het onmiddellijke verleden gebeurd zijn

In dit stadium kunnen ook kenmerken van de vorm van de taal onderscheiden worden. Typerende vorm kenmerken zijn bv.:



  • De zinnen bestaan meestal uit niet meer dan 5 of 6 woorden

  • De zinnen bevatten nauwelijks voegwoorden

  • Er zijn afwijkingen in de woordvolgorde

  • Werkwoordsvervoegingen worden omzeild of vertonen afwijkingen

  • Afwijkende meervoudsvormen

  • Foute lidwoorden

  • Door elkaar halen van hij en zij

In dit stadium lijkt het kind opeens meer fouten te gaan maken. Het lijkt alsof de taalbeheersing van het Nederlands achteruit gaat. In werkelijkheid maakt het kind de fouten omdat het de regels van de Nederlandse taalstructuur gaat ontdekken en toepassen. Het ontdekt bv. dat er lidwoorden bestaan en gaat deze gebruiken. Het kind weet alleen nog niet wanneer welk lidwoord van toepassing is. Aan het eind van stadium 3 is het kind meestal zover dat het redelijk mee kan doen aan allerlei doeactiviteiten in de groep.



Stadium 4: De leertaalperiode

Het Nederlands dat het meertalige kind nu verworven heeft is van een bepaalde soort. Het is de taal die vooral geschikt is voor het deelnemen aan omgangssituaties in het dagelijkse leven. Deze taal is concreet en nog niet geschikt voor het praten over dingen in het verleden of de toekomst, voor redeneren, voorspellen en voorstellen. Voor deze functies is speciale, meer abstracte taal nodig. In dit stadium moet het kind een situatie uit elkaar kunnen halen in de belangrijkste aspecten. Het moet vervolgens verschillende aspecten onder een noemer kunnen brengen. Hiervoor moet het kind een aantal begrippen aangereikt krijgen.


Signalen voor leertaal:

Aan het einde van stadium 4 zullen ook de vormaspecten van de taal verder ontwikkeld zijn. De taal van de tweede-taalverwerver zal nu veel meer lijken op standaard Nederlands, hoewel er nog veel afwijkingen zullen bestaan.


Kenmerken van de vorm van de taal in stadium 4:

  • De woordenschat wordt steeds groter, maar is kleiner dan van een kind met Nederlands als moedertaal

  • Er worden fouten gemaakt in meer ingewikkelde zinnen

  • Er zijn minder fouten in de vorm van de woorden, wel nog bij onregelmatigheden in de Nederlandse taal zoals bij sterke werkwoorden (valde ipv. viel).


Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina