11e Internationale Chemieolympiade, Leningrad 1979, Sovjet Unie



Dovnload 0.8 Mb.
Pagina1/6
Datum26.10.2018
Grootte0.8 Mb.
  1   2   3   4   5   6

11e Internationale Chemieolympiade, Leningrad 1979, Sovjet Unie

Theorie

Opgave 1


Omcirkel bij elke vraag die letters die naar jou mening overeenkomen met de juiste antwoorden. Er kunnen meer antwoorden juist zijn.

  1. Welk element wordt geoxideerd bij de reactie tussen etheen en een oplossing van kaliumpermanganaat in water?

a. koolstof

b. waterstof

c. kalium

d. mangaan

e. zuurstof




  1. Hoeveel liter CO2 wordt er ongeveer gevormd in de reactie van 18 g kaliumwaterstofcarbonaat met 65 g 10 % zwavelzuur?

a. 1 L

b. 2

c. 3

d. 4

e. 5




  1. Welke van de volgende koolwaterstoffen geeft de maximale warmteopbrengst bij volledige verbranding van het gas?

a. propaan

b. methaan

c. ethyn

d. etheen

e. alle geven dezelfde opbrengst




  1. Hoeveel isomeren heeft een verbinding met de formule C3H5Br?

a. 1

b. 2

c. 3

d. 4

e. 5




  1. Welke van de volgende koolwaterstoffen is de beste motorbrandstof?

a. cyclooctaan

b. 2,2-dimethylhexaan

c. n-octaan

d. 3-ethylhexaan

e. 2,2,4-trimethylpentaan




  1. Met welke van de volgende verbindingen reageert een oplossing in water van een hoger oxide van element 33?

a. CO2

b. K2SO4

c. HCl

d. NaOH

e. magnesium




  1. Wat moet de minimale concentratie (in massa-%) zijn van 1 kg kaliumhydroxide-oplossing om 3,57 mol salpeterzuur volledig te neutraliseren?

a. 5 %

b. 10 %

c. 15 %

d. 20 %

e. 25 %




  1. Hoeveel verbindingen met de formule C3H9N zin er?

a. 1

b. 2

c. 3

d. 4

e. 5




  1. In welke verbinding is het massa-% van stikstof maximaal?

a. kaliumnitraat

b. bariumnitraat

c. aluminiumnitraat

d. lithiumnitraat

e. natriumnitraat




  1. Geef het plaatsnummer van het koolstofatoom waaraan chloor hoofdzakelijk geaddeerd wordt bij reactie van HCl met 2-penteenzuur?

a. 1

b. 2

c. 3

d. 4

e. 5




  1. Hoeveel mol water is er per mol calciumnitraat als het massa-% water in het kristallijne hydraat 30,5 % is?

a. 1

b. 2

c. 3

d. 4

e. 5




  1. Welk van deze carbonzuren is het sterkst? (het achtervoegsel carbonzuur is weggelaten)

a. benzeen-

b. 2-chloorbenzeen-

c. 4-methylbenzeen-

d. 2-aminobenzeen-

e. 4-broombenzeen-




  1. Welke van deze zuren heeft de hoogste dissociatiegraad?

a. HClO

b. HClO2

c. HClO3

d. HClO4

e. alle dezelfde




  1. Welke van de onderstaande zouten hydrolyseren niet?

a. kaliumbromide

b. aluminiumsulfaat

c. natriumcarbonaat

d. ijzer(III)nitraat

e. bariumsulfaat




  1. Hoeveel L lucht is ongeveer nodig voor een volledige verbranding van 1 liter ammoniak?

a. 1 L

b. 2

c. 3

d. 4

e. 5




  1. Welk element wordt bij de thermische ontleding van natriumwaterstofcarbonaat geoxideerd?

a. natrium

b. waterstof

c. zuurstof

d. koolstof

e. geen




  1. Welke van de volgende veranderingen in omstandigheden heeft geen effect op de ligging van het evenwicht bij de thermische ontleding van CaCO3?

a. temperatuur-

verhoging



b. drukverlaging

c. toevoeging katalysator

d. verandering [CO2]

e. toename hoeveelheid beginstof




  1. Welke van de volgende stoffen wordt aan de Pt-elektrode gevormd bij de elektrolyse van een aluminiumchloride-oplossing in water?

a. aluminium

b. zuurstof

c. waterstof

d. aluminiumhydroxide

e. chloor




  1. De apparatuur die hieronder schematisch is weergegeven is bedoeld voor de bereiding van ammoniak onder laboratoriumomstandigheden. De reageerbuis die verhit wordt bevat een mengsel van NH4Cl en Ca(OH)2. Welke figuur is juist?



A

B

C

D

E




  1. Welk van onderstaande apparaten is het meest geschikt voor de synthese van broomethaan uit kaliumbromide, gec. zwavelzuur en ethanol?



A

B

C




D

E

Opgave 2


Een legering bestaat uit de volgende metalen: cadmium, tin, bismut en lood. 1,2860 g van deze legering reageert met gec. salpeterzuur. Een verbinding van metaal ‘A’ slaat afzonderlijk neer, wordt gescheiden, grondig gewassen, gedroogd en gecalcineerd. Na calcineren tot constante massa is de massa van het neerslag 0,3265 g.

Een overmaat oplossing van ammoniak in water wordt toegevoegd aan de oplossing verkregen na verwijderen van het neerslag. Een verbinding van metaal ‘B’ blijft achter in oplossing, terwijl alle andere metalen neerslaan in de vorm van slecht oplosbare zouten. De oplossing wordt eerst kwantitatief gescheiden van het neerslag en vervolgens wordt waterstofsulfide doorgeleid tot de gescheiden oplossing verzadigd is. Het ontstane neerslag met metaal ‘B’ wordt gescheiden, gewassen en gedroogd. De massa van het neerslag is 0,6613 g.

Het neerslag met de verbindingen van metalen ‘C’ en ‘D’ wordt behandeld met een overmaat natronloog. De oplossing en het neerslag worden kwantitatief gescheiden. Een salpeterzuuroplossing wordt toegevoegd aan de alkalische oplossing tot een pH van 56 en een overmaat K2CrO4-oplossing wordt aan de ontstane heldere oplossing toegevoegd. Het gele neerslag wordt gescheiden, gewassen en kwantitatief overgebracht in een bekerglas; hieraan wordt een oplossing van verdund zwavelzuur en kristallijn KI toegevoegd. Het in een reactie gevormde jood wordt getitreerd met een natriumthiosulfaatoplossing met stijfsel als indicator; daarvoor is nodig 18,46 mL 0,1512 M Na2S2O3-oplossing. Het laatste metaal dat in het neerslag zit als een slecht oplosbaar zout wordt omgezet in een nog slechter oplosbaar fosfaat; de massa ervan is 0,4675 g.

Geef alle reactievergelijkingen waarop de kwantitatieve analyse van deze legering is gebaseerd. Benoem de metalen A, B, C en D. Bereken de massapercentages van de metalen in de legering.


Opgave 3


Welke chemische processen spelen zich af bij interactie van:

  1. aluminiumammoniumsulfaat met barietwater

  2. kaliumchromaat, ijzer(II)chloride en zwavelzuur

  3. gecalcineerde soda en natriumwaterstofsulfaat

  4. 1-broom-4-ethylbenzeen en chloor

  5. propanol, fenol en geconcentreerd zwavelzuur?

Geef ionvergelijkingen voor die reacties die in een waterig milieu verlopen. Geef voor de andere reacties molecuulvergelijkingen en geef het type reactie aan. Geef voor reacties die kunnen leiden tot vorming van verscheidene stoffen het verschil in reactieomstandigheden aan.

Opgave 4


Verbinding X bevat stikstof en waterstof. Sterke verhitting van 3,2 g X leidt tot ontleding zonder vorming van een vast residu. Het ontstane mengsel van gassen wordt deels geabsorbeerd door zwavelzuur (waarbij het volume van het gasmengsel met een factor 2,8 afneemt). Het niet-geabsorbeerde gas (een mengsel van waterstof en stikstof) neemt onder normale omstandigheden een volume in van 1,4 L en heeft een dichtheid van 0,786 g L1.
Bepaal de formule van X.

Opgave 5


Een benzeenderivaat X heeft een empirische formule C9H12. Bromering in licht geeft twee monobroomderivaten in ongeveer gelijke opbrengst. Bromering in het donker in aanwezigheid van ijzer levert ook twee monobroomderivaten; bij voortgaande reactie kan de vorming van vier dibroomderivaten optreden. Stel een structuur voor verbinding X en voor de bromeringsproducten voor. Geef reactieschema’s.

Opgave 6


130 g van een onbekend metaal wordt behandeld met overmaat verdund salpeterzuur. Een overmaat hete alkalische oplossing wordt toegevoegd aan de verkregen oplossing, waarbij
1,12 L gas ontstaat (normaal omstandigheden).

Welk metaal heeft men in salpeterzuur opgelost/




Deel met je vrienden:
  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina