1 Pluraliteit, ethiek en christelijke levensbe-schou-wing



Dovnload 44.05 Kb.
Datum12.09.2018
Grootte44.05 Kb.


religie, zingeving en levensbeschouwing – hoofdstuk 11

  1. Pluraliteit, ethiek en christelijke levensbe­schou­wing

Onze tijd is een tijd van pluraliteit, ook op het vlak van het maken van ethische keuzes. Dit is zeer duidelijk op het vlak van de zogenaamde grote ethische debatten, zoals het abortus- en euthanasiedebat; de discussies omtrent (de aanmaak van) menselij­ke embryo’s en wetenschappelij­ke proeven, omtrent het gebruik van proefdie­ren. Andere probleemvel­den, die zeker even goed een discussie verdienen zijn de verwachtingen ten aanzien van de gentherapie, klonen,... Ook buiten de biomedische en -wetenschappelijke sfeer doet zich voldoende conflictstof voor: het migrantenvraag­stuk en het recht op eigen cultuur; de uitgerektheid van het sociale vangnet en de vraag naar de financiële beheers­baarheid ervan; geweld en seks op televisie en in de reclame en de weerslag ervan op de samenleving, onder­wijs en levensbeschouwing; nieuwe politieke cultuur; pedofilie en kinderrechten; belastingontduiking en de plichten ten aanzien van de samenleving; homohuwelijk (met adoptierecht) en het gezin als hoeksteen van de samenleving;... De ethische vraagstelling dient zich echter ook buiten de zgn. grote maatschappelijke debatten aan; meer bepaald in het persoon­lijke leven van ieder: de ordening van de korte relaties in de familiesfeer, de sfeer van arbeid en ontspanning, etc. Hoe ga ik om met degene van wie ik hou, en met degene waarvan ik zeker niet hou? Wanneer kan wat op gebied van seksualiteit? Wat beteke­nen trouw en vriendschap? Wat betekent respect voor de ander, ook wat diens materiële goederen betreft? Wat met eerlijkheid en vertrouwen? Telkens opnieuw worden we geconfronteerd, niet alleen met het onvermogen tot diepmenselijke houdingen, maar tegelijk – en meer en meer –, tot diverse invullingen ervan. De samenleving biedt weliswaar kaders hiertoe (bv. wat is diefstal), maar doet dit slechts gedeeltelijk, en de kaders kunnen verschuiven, naargelang de maatschappelijke consensus (of meerder­heid) verschuift (seksuele meerderjarigheid op 12, 14, 16 of 18?).

In wat volgt, worden geen antwoorden gegeven op concrete probleemvelden; wel worden enige redeneerschema’s meegegeven, en aandachtspunten vermeld. Dit hoofdstukje valt uiteen in vier onderdelen. Het eerste onderdeel omschrijft de ethische vraagstelling in een context van veelheid. Het tweede richt zich op termver­klaring, het derde op redeneerschema’s en het laatste op de ethiek in de actuele context en de plaats van het christelijke verhaal in deze.1

  1. Pluraliteit en conflict op levensbeschouwelijk vlak

Wat in voorgaande inleiding meer algemeen gesteld werd, maken we hier concreter. Want ook op ethisch (en religieus) vlak is de pluraliteit observeer­baar geworden en bovendien tot het bewustzijn van de ethische (en religieu­ze) mens zelf doorgedrongen. Gehelen van waarden en onwaarden, ethische denkpatro­nen, de confrontatie met cultureel verwortelde uiterst diverse soorten ethos, maken zowel op individueel als op maatschappelijk vlak, eenduidige ethische keuzen bijzonder moeilijk. (Het religieuze subject en de religieuze gemeenschap worden opmerkzaam voor de onherleidbare religieuze pluraliteit: het bewustzijn groeit dat naast de eigen specifieke religieuze bestaanswijze andere godsdien­stige subjecten en gemeenschappen, zowel buiten de eigen godsdienst als erbinnen, op een even intense en authentische, maar onherleidbaar andere manier op zoek zijn naar religieuze vervulling). Dit kunnen we omschrijven als het verworven inzicht in de eigen, onophef­bare particulariteit.

Pluraliteit gaat echter ook in de ethiek (en de religie) gepaard met conflict. Wat de ethische vraagstellingen betreft, dienen keuzes – elk geïnspireerd vanuit een telkens divergerend waarde­aanvoelen en ethische reflectie – zich aan zonder verzoenend alternatief: euthanasie bijvoorbeeld is, welke de achterliggende redenering ook moge zijn, óf (beperkt) toelaatbaar, óf niet; proefne­mingen op menselijke embryo’s (laat staan het kweken van deze embryo’s voor onderzoeksdoel­einden, is moreel toelaatbaar of verwerpe­lijk; geweld is óf wel óf niet geoorloofd bij vrede­stichtende VN-operaties; je bent voor óf tegen de doodstraf; beide posities tegelijk innemen kan niet. (Incom­mensurabel zijn ook de diverse godsdiensten: voor joden en moslims is het ongehoord dat in het christendom God mens wordt of als triniteit wordt vereerd; de persoonlijke God/vader/moeder van de christenen valt niet te verzoenen met de gecontempleerde leegte uit het boeddhisme; geloven in de verrijzenis of in reïncarnatie valt moeilijk te rijmen met een materialis­tische visie die betoogt dat met het vergaan van de materie alles definitief ophoudt; de actueel bestaande hiërarchische katholieke verticale kerk­structuur valt vele niet-katholieke en katholieke geloofsge­meenschappen en gelovigen zwaar).

Dit eerste inzicht in pluraliteit, particulariteit en conflict levert ons alvast volgende basisele­menten voor een reflectie over levensbeschouwing: (1) discussies en conflicten zijn zelden zo eenvoudig, maar vaak zeer gecompliceerd – oversimplifiëring (bijvoor­beeld door al te gemakkelijk schema’s van goed en kwaad op de werkelijkheid te leggen, en dus de andere te gaan diaboliseren) is zelden een goede oplossing. (2) Overleg en het suggereren van oplossingen over problemen geschieden zelden nog tegen een gemeenschappelijke achtergrond, en de problemen vallen uiterst zelden op rationeel niveau op te lossen. In discussies over ethiek en levensbeschouwing gaat men best zo concreet mogelijk de eventuele discussiepunten op zichzelf betrekken (euthana­sie overwegen bij een partner of ouder is iets anders dan zeer algemeen de vraag naar euthanasie bespreken). In deze concretisering mogen ook de morele emoties en de ethische houdingen die ons – pre-reflexief – eigen zijn niet vergeten worden. In de discussie omtrent het verlagen van de leeftijd betreffen­de de toelaatbaarheid van seksuele betrekkingen vanaf de leeftijd van 14 jaar, of omtrent het geoorloofd-zijn van proeven op menselijke embryo’s, is het altijd goed zich voor te stellen dat het de eigen dochter/zoon betreft, respectievelijk embryo’s voortko­mend uit de eigen relatie. (3) Ethische consensus, dit zijn maatschap­pelijk aanvaarde oplossingen voor ethische problemen, is vaak een gerationaliseerd gegeven waarbij abstractie wordt gemaakt van vele concretiseringen. Maatschap­pelijk gezien is enige consensus wel nodig om de samenleving als dusdanig te laten overle­ven. Ook zogenaamde overkoepelende religies (in de aard van een religieus ‘esperan­to’) maken abstractie van de zeer specifieke en altijd concrete religieuze verhalen en ervaringen. Ook hier is consensus vaak zeer abstract.

Een opmerking terzijde hierbij is dat de wetenschappelijke rationaliteit geen ethiek in zichzelf draagt, wel een vocabulaire en een kader levert om de discussie te voeren. Vaak beroepen alle posities in een debat zich op wetenschappelijke gronden om hun ethische oordelen te funderen. Maar ethische oordelen zijn nu eenmaal niet gefundeerd in dé realiteit, wel in de manieren (de verhalen) waarmee mensen met deze realiteit omgaan. En deze verhalen zijn structureel gezien in onze maatschappij opties, keuzes – die het keuzeproces verder gaan bepalen.

  1. Termverklaringen

Ethiek kunnen we, heel concreet, definiëren als de bewust ondernomen poging reflexief te onderzoeken en kritisch te bevragen welke mensbeelden, waarden en normen het menselijke handelen leiden, met het oog op (1) het komen tot ethische zelfuitklaring, (2) het bekomen van enige transparantie en communicabiliteit in ethische discussies, en (3) het komen tot ethische oordeelsvorming op individueel en collectief niveau. In de geschiedenis van de ethische reflectie werden hiertoe diverse modellen ontwik­keld. Even verderop gaan we hier op in. Eerst definiëren we wat normen en waarden, mensbeeld en ethische intuïties zijn.

Normen zijn handelings­voorschriften die aangeven wat wij in bepaalde situaties behoren te doen of na te laten”. Je woord houden, niet spieken op het examen, niet stelen wat een andere toebehoort, zijn normen. Vaak gaat het om concrete handelings­beginselen die structuur brengen in het menselijke handelen.

Waarden zijn op zich nastrevenswaardige ervaringen, situaties en standen van zaken, of nastrevenswaar­dige eigenschappen van mensen, organisaties of van een samenleving als zodanig”. Voorbeelden hiervan zijn vrijheid, solidariteit, betrouw­baar­heid, geluk, gezondheid. Ze zijn veel algemener en opener geformuleerd dan normen, en vragen vaak afgeleide normen die de waarde helpen realiseren (zoals de norm iemand te helpen in nood, de waarde van de solidariteit concreter vorm doet krijgen). Wel is het zo dat iets slechts een waarde is voor iemand, als dit op zich waardevol en nastrevenswaardig is. Democratie is voor de meeste westerlingen een waarde; in bepaalde culturen is dit echter een onwaarde. Bedelordes in de katholieke kerk streven het ideaal van de armoede na, ofschoon dit voor vele mensen een onwaarde bij uitstek is.

Een geheel van waarden, en gecorre­leerde ethische normen, zit verankerd – en geeft vorm – aan een ethisch mensbeeld: dit omvat het geheel van wat een mens werkelijk mens maakt, en geeft aan wat echte menselijkheid is. Vaak gaat dit gepaard met het prioritair stellen van bepaalde waarden boven andere. Bepaalde mensbeelden zijn bijvoorbeeld rationalistisch van aard, en zoeken het volle mens-zijn in de ontplooiing van de menselijke rede; andere plaatsen de rechten van gemeenschap bovengeschikt aan de individuele verzuchtingen; nog andere gaan uit van een absoluut vrijheidsideaal.

Veel van onze gedragingen of onze oordelen komen onbereflec­teerd voort uit ethische intuïties. Deze zijn ervoor verant­woordelijk, als we geconfron­teerd met een bepaalde situatie deze onmiddellijk en intuïtief beoordelen als goed of slecht, als juist of onjuist. Als een politieman een bedelaar uit het Brusselse Noordsta­tion zet, zijn diverse reacties, naargelang de ethische intuïties mogelijk. Dergelijke primaire ethische reacties zijn, wanneer er verder op ingegaan wordt, verbonden met het mensbeeld, de waarden en de normen van waaruit iemand leeft, handelt, denkt en oordeelt. Een reflectie dient deze achter­lig­gende waarden en normen op de voorgrond te halen.2
Vaak echter in de ethische reflectie duiken vier fundamentele ethische principes op (die meestal wel in bredere ethische denkkaders passen). Ze geven “vanuit een publieke ethiek, in allerlei keuzesituaties uitdrukking [...] aan de normatieve uitgangs­punten voor een samenleving van mensen”. Het zijn

(1) het ‘principe van het geen schade toebrengen’ (non-maleficence-beginsel) – ‘primum non nocere’). Zolang we de anderen geen schade toebrengen, zijn onze daden geoorloofd.

(2) het ‘weldadigheids­principe’ (benificence-beginsel). Deze daden behoren wij te verkiezen die het meest welzijn opbrengen.

(3) het ‘autonomiebeginsel’ (radicaal zelfbeschikkingsrecht). Dit principe houdt in dat alle daden die de autonomie van de andere belemmeren gelaten worden en daden die deze bevorderen actief nagestreefd worden. Een gevolg van dit principe is dat iemands autonome keuzes gerespecteerd dienen te worden.



(4) het ‘rechtvaardigheidsprincipe’: “formeel criterium van gelijke behandeling: ‘Gelijken behoren wij gelijk te behandelen, en ongelijken ongelijk’”; meer speci­fiek uitgedrukt impliceert dit het principe van de verdelende of distributieve rechtvaardigheid (aan ieder dat wat hij redelijkerwijs nodig heeft).3

Deugden situeren zich op het niveau van het morele subject en kenmerken de interne gesteld­heid van de ethische mens. Het zijn “karaktertrekken, disposities die in zeer gevarieerde handelingen en handelingspatronen tot uiting kunnen komen. Verworven via een leerproces, helpen ze de mens het hoofd te bieden aan emotionele en motivationele problemen die een juiste wijze van handelen in de weg staan”.4

Een laatste notie die om verduidelijking vraagt, is het geweten. L. Janssens schrijft hierover: “Het geweten komt ons voor als een wezenlijke functie of dimensie van ons zelfbewust­zijn. We zijn ons bewust van onszelf als zedelijke subjecten”.5 Dit laatste duidt op twee aspecten: (1) het geweten doet zich voor als een moreel besef dat in staat stelt een onderscheid te maken tussen goed en kwaad, tussen wat hoort en niet hoort; het is met andere woorden de zetel van onze morele intuïties, waarden en normaanvoelen. (2) Het geweten stelt hiertoe niet alleen in staat, maar doet ook streven naar het goede, en incorporeert dus ook een besef van absolute morele verplichting. Het morele schuldbesef komt voort uit het verzaken aan deze verplich­ting, of aan het niet kunnen beantwoorden eraan.

  1. Klassieke ethische redeneerpatronen

Utilitarisme: prioriteit van het nutsbeginsel

“Een vrije daad is zedelijk goed, als ze zoveel mogelijk welzijn oplevert aan zoveel mogelijk mensen of zo weinig mogelijk schade berokkent aan zo weinig mogelijk mensen”.6 Welke handeling heeft het grootste nut? Dergelijke ethische reflectie vangt aan bij het bekijken van de waarde van de gevolgen: wat zijn de gevolgen van een daad (of regel, norm) op korte, middellan­ge en lange termijn? In conflictgevallen speelt de discussie zich af middels een vergelijking van de mogelijke gevolgen.

Problemen van deze methode: hoe wordt over de maat van dit nut geoordeeld? wie beslist hierover? wat is menselijk welzijn? wat is schade?



Deontologische modellen

Deontologische theorieën zijn niet gericht op de gevolgen van handelingen als ethisch of onethisch te kwalificeren, maar vertrekken van de intrinsiek morele waarde van dit handelen zelf. Het doel heiligt niet de middelen. “De zedelijke waarde van een handeling hangt niet af van haar gevolgen, maar van de innerlijke kwaliteiten van de daad zelf”.7 Dit betekent dat bijvoorbeeld ook de intentie van wie een daad stelt, niet in rekening wordt gebracht. De ethische reflectie ziet het ethische goede of slechte op de daad als dusdanig, los van intentie of gevolg. Deze kwaliteiten zitten gevat in theorieën omtrent de werkelijkheid, in de geloofsovertuigin­gen, uit morele ervaringen, enz.

De kritiek op dergelijke ethische modellen richt zich op de overconcentratie op de handeling die als dusdanig uit het ethische handelingsproces wordt losgerukt.



Deugdenethiek

Goede redenen hebben om iets te doen, is niet genoeg; daarom doe je het goede nog niet: ‘het goede kennen, is niet het goede doen’. Principes, normen, regels – de werkwijze van de ‘plichtenethiek’ – werken niet uit zichzelf. Ethische reflectie kan dus niet alleen stilstaan op het niveau van het argumen­teren, maar dient ook te kijken naar de motivering. Hoe motiveren wij ons handelen?



Een verklaring zou het ‘welbegrepen eigenbelang’ kunnen zijn. Rekening hou je met anderen, omdat dit anders je eigenbelang schaadt. “Een mens moet niet eerlijk zijn omdat oneerlijk gedrag de medemens schaadt, maar omdat eerlijkheid het langst duurt [...], met oneerlijkheid schaad je op den duur jezelf”.8

Maar “moreel juist handelen dient niet altijd je eigenbelang. de mens moet daarom motivatio­neel zo in elkaar zitten, dat hij uit zichzelf doet wat de moraal, die niet tot eigenbelang te herleiden is, voorschrijft. Hij moet moreel juist willen hande­len”.9 Dit betekent dat iedere norm, iedere stap om een waarde te realiseren, corresponde­rend een deugd vereist. De norm een immigrant te respecteren correspondeert in het morele leven met de dispositie van tolerantie in respect. Zo ook is iemand écht eerlijk, die de waarheid vertelt, omdat hij de deugd van de oprechtheid bezit, en niet diegene die eerlijk is uit welbegrepen eigenbelang. Echt moreel handelen vereist een intrinsiek moreel persoon, deugdzaam, verantwoordelijk, plichtbewust.

In een deugdenethiek kijkt men dan ook niet naar het morele handelen op zich, maar veel meer naar de handelende morele persoon: wie goed is, handelt goed. Het richting­gevende beginsel is dan ook: ‘doe wat de deugdzame mens zou doen’. Maar wat is een deugdzame mens? zijn er niet diverse modellen van deugdzaamheid?



Het communitarisme

Tot dusver stonden alle modellen die we ontwikkelden, in de zoektocht naar het goede, een ethiek voor die universaliseerbaar is: het goede is dus iets wat principieel door ieder zou moeten (en moeten kunnen) gedaan worden. Ook in ethische aangele­genheden wordt zo objectiviteit gezocht (analoog aan de exacte wetenschappen). Maar zo werkt ethisch handelen niet, volgens sommigen. Deugden zijn veeleer gelinkt aan wat mensen willen op individueel en collectief vlak (en dus particulier en historisch). Omdat ik iets wil, stel ik handelingen, zodat ik, wat ik wil, kan realiseren. Het ‘wat ik wil’ wordt ingevuld vanuit de opvoeding, de socialisa­tie in de gemeen­schap, de traditie, waartoe ik behoor. Deugden zitten verweven in het individuele en maatschap­pelijke handelen en zijn even noodza­kelijk als zakelijke kennis en vaardigheden om iets te bereiken. “Verschillende mensen uit diverse tradities zullen, gezien de verschei­denheid aan vormen die het goed voor een ieder kan aannemen, uiteenlopende verzamelingen van deugden nodig hebben”. Opdat een gezin bijvoorbeeld goed functioneert, zijn specifieke deugden nodig, die juist aangeleerd worden in gezinsver­band, en kunnen verschillen van tijd tot tijd, van plaats tot plaats.

  1. Ethiek in een plurale samenleving

Ethiek en levensbeschouwing

Zijn ethiek en levensbeschouwing met elkaar verweven? Het antwoord is positief. Levensbe­schouwing biedt een ethiek niet alleen richting, maar situeert deze in een breder zinkader, een bredere visie op het goede leven. Wie zich louter op het niveau van de handeling zelf beweegt, kan in het ethische handelen van personen met diverse levensbeschouwingen soms nog min of meer gelijke handelingspatronen zien en deze – op het niveau van de handeling – dezelfde ethische kwaliteit toemeten. Maar naar motivering en intensiteit toe, zullen deze handelingen, en dus ook de ethische kwaliteit, verschillen. De bedrijfsleider die uit eigenbelang (voor de goede naam van de firma) kankerpreventie financiert, doet niet hetzelfde als diegene die omwille van de kankerpatiënten zelf, geld in het Kom-op-tegen-kanker-fonds stopt. Euthanasie toestaan op grond van het absolute respect voor de vrije wilsbeschikking van het individu is uiteindelijk iets anders dan tot ditzelfde besluiten vanuit een nadenken, in de lijn van een besef van het gave-karakter van het leven, over het minste kwaad, ook al zal de feitelijke daad van levensbeëindi­ging dezelfde zijn.



Pluraliteit

In een voorgaande sectie hebben wij er reeds op gewezen dat oversimplifië­ring en overdreven abstractie van ethische discussies uit den boze is. Zelden zijn ethische discussies rationeel op te lossen, omdat dit nog een denken of rationeel kader voorop­stelt waarin ethiek en ethisch handelen objectief verankerbaar en aantoonbaar zouden zijn. De feitelijke situatie falsifieert dit. Zoals in de deugdenethiek betoont, heeft ethisch handelen vooral te maken met het morele subject en diens toebehoren tot en gesocialiseerd zijn in een bepaalde traditie, een bepaald verhaal. Ethiek vertrekt van ethische ingesteldheid, van ethische intuïties, die rationeel nooit (helemaal) uit te klaren zijn. De authenticiteit van de ethiek zit sterk gekoppeld aan de authenticiteit van de traditie of het verhaal waarin de ethiek verweven zit. Ook al zijn op het niveau van het feitelijke handelen wellicht soms ethische compromissen mogelijk – en wenselijk gezien de noodzaak van een geordende samenleving –, de ethische motive­ring van dezelfde daad kan volkomen anders (en zelfs wederzijds exclusief) zijn.

Opgepast dient te worden in ethische vraagstellingen met de verwijzing naar de werke­lijkheid-zoals-ze-is om het probleem op te lossen. Feiten leiden niet naar normen. Een louter beroep op de wetenschap biedt geen ethische normen maar laat eventueel wel toe om het ethische probleem adequaat te formuleren.



Christelijke ethiek

Ook in de christelijke ethische praxis, zowel op individueel als collectief niveau heerst er een pluraliteit aan opvattingen, die echter uiteindelijk begrensd wordt door liefdegebod dat in het christelijke dubbelgebod gegeven is: ‘bemin God bovenal en uw naaste als uzelf’. Het christelijke geloof biedt als verhaal vooral impulsen aan de morele gezindheid, de vorming van deugden, een geheel van doelen en waarden die alle stammen uit en terugvoeren naar dit éne funderende gebod van de liefde. Op dergelijke wijze gene­reert het christelijk geloof een visie op het goede leven, vanuit het eigen verhaal.10

Zo begrepen manifesteert een christelijk open verhaal zich nadrukkelijk op ethisch vlak. Funda­menteel hierbij is dat het de opvordering en uitdaging van het andere niet uit de weg gaat. Juist in het dagelijkse leven, vanuit de confrontaties met andersheid, hervertelt het christelijke verhaal zichzelf in een voortdurend proces van interpretatie en duiding – recontextualisering. Het spreekt voor zich dat het christelijke verhaal nooit terug zal kunnen worden gebracht tot een codex van precieze normen, waarbij de naleving ervan criterium is van goed christen zijn. In de dynamiek van een christelijk open verhaal ontvouwt een christelijke ethiek van de liefde zich in het opkomen voor de andere met respect voor diens andersheid en de kritiek van die (persoonlijke en maat­schappelijke) hegemonische verhalen, waar dit niet gebeurt.

Toch kunnen een aantal beginselen, in hun algemeenheid, als richtinggevend worden aange­duid, steeds in de context van het funderende liefdegebod: het beginsel van de schepsellijkheid (de werkelijkheid, de ander, het leven is een gave) en hiermee samenhangend het beginsel van de integriteit van het eigen leven en dat van anderen (en dit zowel op persoonlijk als sociaal vlak); het beginsel van het respect voor de andere als het beginsel van de solidariteit en in dit verband dat van de voorkeursoptie voor de arme (deze is de andere als slachtof­fer).11

Ethische knopen ontwarren

Dit gegeven zijnde, presenteren we hieronder eerder stellingmatig het (licht gewijzigde) stappen­plan voor een ethische reflectie, zoals dit gepresenteerd is in Ethiek in praktijk.12 het betreft ethische oordeelsvorming met betrekking tot zeer concrete gevallen.

(1) Stap één omvat de fase van explicitering en omvat vragen naar wat nu juist het morele probleem is (streven naar een concrete vraagstelling), of er zaken zijn die deze probleem­stelling verduisteren of verzwaren, welke de handelingsalter­natieven zijn en tenslotte of alle benodigde informatie aanwezig is.

(2) In stap twee volgt de analyse van het morele probleem: wie is erbij betrokken en welke waarden en normen zijn met de probleemstelling verweven?

(3) Stap drie houdt de afweging van de waarden en normen in. Deze afweging leidt tot een antwoord op het als vraag geformuleerde ethische probleem: wat dient er in dit geval te gebeuren? De afweging heeft, ook als er geen consensus bereikt wordt en het conflict blijft bestaan, tegelijk onmiddellijk te maken met de keuze van een handelingsal­ternatief.

In dit verband verwijzen we ook naar twee bijkomende ethische denkinstrumenten, die ethisch leven in situaties van pluraliteit kunnen helpen:



  1. het onderscheid tussen het menselijk wense­lijke en het menselijk mogelijke (het onderscheid komt van Paul Ricoeur). Wat ethisch het meest de voorkeur weg­draagt, is in de praktijk niet altijd mogelijk.

  2. de blijvende nood aan ethiek, ook midden in onethische omstandigheden. R. Burggraeve formuleerde dit als de blijvende nood aan een ethiek van het ongeoorloofde. Wie eenmaal een onethische keuze maakte, en hierop verder gaat, is niet compleet ontheven van ethische verplichting.

1 Dit hoofdstuk werd deels geïnspireerd door P. Schotsmans, En de mens schiep de mens. Medische (r)evolutie en techniek, Kapellen: DNB/Pelckmans, 1988; en T. van Willigenburg e.a. (red.), Ethiek in praktijk, Assen: Van Gorcum, 1993.

2 Voor de definitie van norm en waarde, en een aantal voorbeelden, zie Ethiek in praktijk, p. 10-12.

3 Voor de citaten, zie Ibidem, p. 33.

4 Ibidem, p. 121.

5 L. Janssens, Gewetensvorming, in J. Baers en E. Henau (red.), God is altijd groter. Werkboek rond het geloven, Tielt/Weesp: Lannoo, 31985, 452-459, p. 452.

6 P. Schotsmans, Op. cit., p. 68-69.

7 Ibidem, p. 74.

8 Ethiek in praktijk, p 112.

9 Ibidem.

10 Het woord zonde is de term bij uitstek in het christelijke verhaal om aan te duiden dat ons handelen in deze wereld ook God raakt. Juist omwille van het dubbelgebod, dat de mensenliefde in het ruime kader van de godsliefde plaatst, raakt het kwaad dat mensen elkaar (de/het andere) aandoen ook God, en verstoort het de schepselijke relatie tot God. Waar gesloten verhalen verteld worden, wordt de openheid op God vernietigend opgevuld.

11 Zie hiervoor verder en ook voor de discussie over de haalbaarheid van de christelijke ethiek zoals die door het kerkelijke leergezag wordt voorgeschreven R. Burggraeve, Tussen Rome en leven. Essay over een ethiek van het haalbare, Tielt, 1994.

12 Hoofdstuk 7: p. 55-70.


Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina