§ 3 Atmosfeer



Dovnload 93.59 Kb.
Pagina1/2
Datum11.11.2018
Grootte93.59 Kb.
  1   2

§ 2.3

Atmosfeer: luchtlaag om de aarde die het het leven in stand houdt.

-78,09% stikstof (N²)

-20,95% zuurstof (O²)

-0,93% argon

-0,03% andere gassen

Onze atmosfeer is niet altijd geweest zoals hij nu is. Er was een oeratmosfeer waarbij de levensvormen van toen in een zuurstofloze atmosfeer leefden. Via fotosynthese produceerden ze zuurstof. Steeds meer leven = steeds meer productie = productie > opname.

Er zijn 2 theoriën voor het ontstaan van leven:

1. Natuurwetenschappelijk.

4,5 miljard jaar geleden waren er veel actieve vulkanen waardoor veel CO² de lucht in ging. Neerstortende meteorieten verwoestten het oppervlak maar brachten ook water en organische verbindingen mee. Warm water met opgeloste mineralen vormde een oersoep waaruit complexere stoffen ontstonden. Dat werden zelfvermenigvuldigende organismen > leven



2. Relegieus.

Volgens Genesis schiep God de hemel en aarde in 6 dagen. 4e dag de planten, 5e dag de dieren van zee en lucht, en de 6e dieren op aarde + de mens.


Onze atmosfeer beschermt het leven op aarde ook:

-als schild tegen ruimtepuin

Zoals meteoren en meteorieten, maar niet tegen kilometers grote brokstukken.



-als filter tegen gevaarlijke straling

Zoals röntgen- en gammastraling die hoog in de atmosfeer energie verliezen door botsingen met luchtdeeltjes. In de ozonlaag wordt UV gebruikt om ozon om te zetten in O² en andersom.



-als isolatiedeken voor een leefbare temperatuur

Zonnestraling verwarmt het oppervlak, aarde zendt infraroodstraling uit. Waterdamp, kooldioxide en methaan houden warmte tegen; natuurlijk broeikaseffect > 14,3 C.


Er zijn overal regelsystemen:

Thermostaat: Warmte: Verdeling: Afkoeling: Temp:

Lichaam stofwisseling bloedsomloop zweet, ademen 37 C

Huis verwarming luchtstromingen luchtstroming X

Atmosfeer+oceanen zon atmosfeer + oceanen terugkaatsing zonlicht 14,3 C





Elementkringloop: 1 element in steeds andere stof (zuurstof)

Stofkringloop: dezelfde stof verplaatst zich (water)

Oceanen: doen ook dienst als opslagplaats van warmte

Biosfeer: onderste deel atmosfeer, bovenste kilometers van aardkorst en water op aarde vormen samen de biosfeer. Is een gesloten systeem, afgezien van opnemen zonnestraling en uitstralen warmte. Hierin speelt leven zich af en worden stoffen, elementen en energie getransporteerd via kringlopen.

Buffers: neemt een stof op uit de atmosfeer, dient als opslagplaats

Bronnen: geeft een stof af aan de atmosfeer
BIOSFEER-

KRINGLOPEN

1. Bodem - lucht

Uit de bodem verdampt water en stijgen vulkanische gassen op. Die komen in de lucht waar zich neerslag vormt en oxidatie/verwering zich voordoet. De neerslag valt,... etc.



2. Planten

Nemen water en voedingsstoffen uit de bodem op. Met fotosynthese produceren ze zuurstof-

gas en verdamping. Dan nemen ze koolstofdioxidegas op uit de lucht en als ze sterven en rotten geven ze stikstof, methaan en olievorming. Dan neemt een andere plant weer op...etc.

3. Mens en dier

Mens en dier verbruiken water. Ze ademen koolstofdioxidegas uit en ademen zuurstofgas weer in. Ze produceren (kunstmest) en verbruiken weer water... etc.



4. Industrie en verkeer

Gebruik van fossiele brandstoffen, erts en water. Daarop volgt de uitstoot van koolstofdi-

oxidegas, stikstofoxiden en CFK’s. Er valt zure regen en daarbij produceren industrie en verkeer bodemvervuiling en afvalwater. Dan gebruiken ze weer fossiele brandstof... etc.

5. Zeeleven

Neemt voedingsstoffen en warmte op uit de bodem en ze ademen zuurstofgas in uit de lucht. Vervolgens ademen ze methaangas uit en wanneer het vergaat produceren ze kalk/koraal, methaan en olievorming. Daar neemt ander zeeleven weer dingen van op... etc.



6. Lucht, zee en bodem

Vulkanische gassen en methaan komen uit de bodem. Daardoor wordt koolstofdioxidegas in de lucht afgegeven en vindt er verdamping plaats. Dan wordt koolstofdioxidegas opgenomen door de zee en vormt zich neerslag. Wat in het water zat komt weer aan land door sedimentatie en afzetting. Vulkanische gassen en methaan komen weer uit de bodem ... etc.


Biosphere II: schaalmodel om de biosfeer na bootsen. Dat is niet gelukt.
Voorwaarden voor het ontstaan van leven zijn koolstofdioxide, water in vloeibare vorm, zonlicht, atmosfeer, zwaartekracht. Voor het ontwikkelen van leven zijn zuurstof en voedsel nodig.
Fotosynthese: H2O + CO2  C6H12O6 + O2 oftewel

water + koolstofdioxide  glucose (suiker) + zuurstof



§ 2.4

Klimaat; toestand van de atmosfeer in bepaalde regio, gemiddeld over 30 jaar. Bronnen van klimaatveranderingen of -toestanden kunnen jaarringen van bomen zijn, weerkundige waarnemingen, stuifmeel/pollen in gesteenten, ijs, oceaansedimenten. Geen enkele bron is 100% betrouwbaar. Door verschillende bronnen te combineren krijg je wel een betrouwbaarder beeld. Wetenschappers hebben ontdekt dat warme en koude periodes elkaar afwisslen, en dus is het klimaat veranderlijk.

Wil je het klimaat voorspellen, dan moet je een klimaatmodel maken. Hierin breng je de factoren die het klimaat bepalen met elkaar in verband. Je kunt het vervolgens testen als zich bijvoorbeeld plotseling een vulkaanuitbarsting voordoet. Je moet met je model namelijk ook tijdelijke klimaatveranderingen goed nabootsen.


Geologische klimaatfactoren: veranderende verhouding en ligging van land - oceaan. Ook stromingen veranderen hierdoor.

Astronomische klimaatfactoren: de verdeling van zonnewarmte, de veranderende helling van de aardas en de hoeveelheid straling die de zon uitzendt.

Atmosferische factoren: de veranderende hoeveelheid broeikasgassen. Die blijft veranderen omdat de mens nog steeds relatief veel kooldioxide en methaan in de atmosfeer toevoegt. Dit versterkt het natuurlijke broeikaseffect.

Plotselinge gebeurtenissen: meteorietinslagen en vulkaanuitbarstingen veranderen slechts tijdelijk en dienen als test voor je klimaatmodel. Hebben weinig invloed.
Natuurlijk broeikaseffect: het vasthouden van warmte door de broeikasgassen water en CO2 sinds het ontstaan van de aarde. Het versterkte broeikaseffect is extra opwarming vn de aarde door uitstoot van broeikasgassen door mensen:

CO2 koolstofdioxide 1x

CH4 methaan 30x (schaal is 1:30.000)

N2O stikstofdioxiden 160x

CFK’s 30.000x
Gevolgen zijn opwarming, smelten van de poolkappen van de zuidpool waardoor ook de zeespiegel stijgt, minder drinkwater, klimaatzones verschuiven naar het noorden waardoor insecten en tropische ziektes hierheen komen.
Weer; atsmoferische toestand op bepaalde tijd en plaats. Kun je niet meer dan een paar dagen vooruit voorspellen. Het weer kan in korte tijd erg veranderen, het klimaat verandert langzaam. Dat komt omdat bij het klimaat oceanen een grote rol spelen.

Klimaatsysteem: het geheel van atmosfeer, oceanen, landmassa’s, biosfeer, land- en zeeijs waarin en waartussen transport en uitwisseling van energie en stoffen plaatsvindt. Om dit op te stellen is natuurkundige, scheikundige en biologische kennis nodig. Ook kennis van terugkoppelingen. Onderzoekers proberen na te gaan waar de voorspelbaarheidshorizon ligt. Je hebt 2 soorten voorspellingen. 1 = hoe de atmosfeer zich in de loop van de tijd zelf ontwikkelt, weersvoor-spellingen horen daarbij. Beperkte reikwijdte. 2 = het voorspellen van de effecten van veranderingen in klimaatfactoren, ook bevolkingsscenario’s horen hierbij.

Negatieve terugkoppeling; processen/ontwikkelingen die zorgen dat temperatuurstijging beperkt wordt. Als bijvoorbeeld de temperatuur van het oceaanwater stijgt is er meer verdamping, dat koelt af.

Positieve terugkoppeling; processen/ontwikkelingen die eraan bijdragen dat de temperatuur stijgt. Bijvoorbeeld; er smelt meer sneeuw en ijs als de temperatuur stijgt. Daardoor kaatst de aarde minder zonnestralen terug en dat zorgt voor meer temperatuurstijging.

§ 3.1

De eerste persoon die erachter kwam dat de aarde rond was door eigen waarneming was Eratosthenes. Als hij in Alexandrië schepen aan zag komen zag hij altijd eerst de mast en als ze dichterbij kwamen pas de romp. Een eeuw daarvoor had Aristoteles ook al zo’n vermoeden; hij zei dat de gebogen schaduw op de maan bij een maansverduistering wees op een aarde die minstens cirkelvormig was.


Eratosthenes had ook zijn manier om de omtrek van de aarde te bepalen en zijn plaats te bepalen.

-De zon staat loodrecht boven je in Syene

-Op datzelfde moment is in Alexandrië wél schaduw

-Met een stok bepaalt Eratosthenes dat de zon daar 1/50e deel

van een cirkel van loodrecht afwijkt

-Met omwentelingen van een wagenwiel bepaalde hij de 800

km tussen Alexandrië en Syene

-De omtrek van de aarde is dus volgens hem 40.000 km



Plaatsbepaling was in de tijd van de VOC gebaseerd op de dagelijkse draaiing van de aarde. Elke plaats op aarde heeft een lengtegraad en een breedtegraad.

Lengtegraad bepaal je door het tijdsverschil in GMT (Greenwich Mean Time) ten opzichte 12 uur, vermenigvuldigd met 15 graden.

Breedtegraad bepaal je door gemeten hoek tussen horizon en poolster.

Oosterlengte: zon eerder dan 12 uur op zijn hoogst (12 uur in GMT)

Westerlengte: zon na 12 uur op zijn hoogst (12 uur in GMT)
Aarde: -draait tegen klon in om de zon in 365,35 dagen

-draait om zijn eigen as in 24 uur (23:56)

Maan: -draait tegen klok in om de aarde
Kalenderjaar = 365 dagen

Zonnejaar = 365,25 dagen


Gevolgen van draaiingen:

1. aarde om de zon: kalender + besef van seizoenen (365,25 dagen)

2. aarde om eigen as: verschil in dag en nacht (24 uur)

3. maan om aarde: eb en vloed + volle maan, nieuwe maan, halve maan (39,5 dagen)

4. maan om eigen as: we zien altijd zelfde kant van de maan (39,5 dagen)


Schrikkeljaar: na 3 jaren van 365 dagen voegen we 4 ‘kwart-dagen’ bijeen tot 29 februari.

1 = volle maan 18.00-06.00

2 = laatste kwartier 00.00-12.00

3 = nieuwe maan 06.00-18.00

4 = eerste kwartier 12.00-00.00



Stonehenge in het zuiden van Engeland is een soort kalender, een hulpmiddel om het jaar in te delen. Als je in het midden staat zie je bij een enkele steen de zon in het verlengde op komen. Op deze manier kwam men erachter dat de zon niet altijd het zelfde stond en dat er dus seizoenen waren.
We hebben buiten zonnekalenders ook maankalenders. Die zijn gebaseerd op de beweging van de maan. In ongeveer een maand draait de maan om de aarde. Afhankelijk van hoe zon, maan en aarde staan zien wij een bepaald deel van de maan verlicht. Dat zijn de schijngestalten. (zie hierboven)
Sir Isaac Newton ontdekte de gravitatiekracht: een aantrekkende kracht tussen voorwerpen met massa. Gravitatiekracht van de zon houdt de aarde in zijn baan, door die van de maan blijft deze om ons heen cirkelen. De gravitatiekracht veroorzaakt ook eb en vloed.

Springtij: zon en maan in één lijn, waarbij dus beide gravitatiekrachten op het water werken

Doodtij: zon op 0°, maan op 90° of 270°, het is dus overal vloed.



Deel met je vrienden:
  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina